Ep. 10: Mut zur Mobilitätswende – Prof. Andreas Knie über E‑Mobilität, Car‑Sharing & den langen Atem des Fortschritts
Transcript
Opgeschoond op basis van een automatisch transcript. Vertalingen zijn automatisch gegenereerd en kunnen fouten bevatten.
Welkom bij de Smart Charge by RiDERgy Podcast. Dit is Claudio Geyken, oprichter en CEO van RiDERgy. Dit is uw show om alles te leren over energiebeheer en smart charging innovatie voor elektrische voertuigen en wagenparken.
Vandaag spreek ik met Professor Andreas Knie. Hij is een van de topexperts in Duitsland als het gaat om het onderwerp mobiliteitswending, elektrische mobiliteit enzovoort. Hij brandt voor verschillende onderwerpen op dit gebied en brengt zoveel ervaring mee. Dat is ongelooflijk. Hij is begonnen in de academische omgeving, maar heeft ook opgericht wat in Duitsland wat te veel ontbreekt: deze spin-offs, of de academici die dan ook ondernemer worden. En hij legt ook erg goed en met veel detail uit waarom de Duitse automobielindustrie bijvoorbeeld de laatste tijd niet zo goed presteert.
en hoe dat eraan kwam, en de Chinezen, en vooral ook het verhaal van Californië. Ik vond deze aflevering erg verrijkend. Helaas heb ik slecht nieuws: we hadden problemen met het audiosysteem, zodat de aflevering tussentijds niet werkte, aan het einde. Dat is jammer. Hij heeft nog een paar mooie zinnen gezegd, hier nog even samengevat, die moed hebben gegeven. In het bijzonder zegt hij dat hij ziet hoe de vooruitgang elke dag in de wereld, historisch gezien, heeft plaatsgevonden.
Dat wil zeggen, je zou je niet ontmoedigd moeten laten door het verleden, door wat er gebeurt, en door een paar verwikkelingen en dwalingen die je tegenwoordig ziet. Dat was een erg positief bericht. En hij heeft het publiek ook opgeroepen moedig te zijn, want moed loont. Die uitspraak vond ik geweldig. En hij heeft ook een nieuw boek. Daarop zou ik iedereen willen wijzen, en ook een erg goede website waar je echt alles ziet – ik zou iedereen aanmoedigen daar ook even naar te kijken. En als je
hem googelt, is het eenvoudig. Bovendien heb ik ook nog een paar vragen gesteld, hier en daar. Maar dat zullen we dan – we konden toch niet diep ingaan op bepaalde onderwerpen, zoals ik had gehoopt. Dat wil zeggen, we zullen zeker nog een paar extra afleveringen proberen op te nemen met hem, perspectivisch gezien, en dan kunnen we dat nog inhalen. Dus mijn verontschuldigingen nogmaals. Dank je voor je begrip, ook aan Professor Knie. En ik hoop dat hij deze aflevering geniet. En mocht je ook aspecten hebben
die je nog eens wilt verdiepen, meld je alsjeblieft. En ja, ik hoop dat je tot hier van de introductie hebt genoten. Veel plezier met de aflevering. Tot ziens. Fijn dat u vandaag aanwezig bent, Professor Knie. Hoe gaat het met u vandaag? Ach, het weer is mooi vandaag, alles is geweldig, Pasen staat voor de deur – het kan eigenlijk niet beter gaan. Ja, daar ben ik het mee eens. Deze lentemomentjes in Berlijn zorgen echt voor vreugde. Ja, voordat we van start gaan met de mobiliteitskwesties, waar we echt veel over hebben – uw expertise is werkelijk
breed – kunt u de luisteraars misschien kort meenemen, maar neem uzelf gerust ook wat tijd: hoe stelt u zich voor, wat is uw achtergrond, en hoe bent u tot de persoon gekomen die u nu bent? Ja. Mijn naam is Andreas Knie. Ik heb politicologie gestudeerd in Marburg en Berlijn, ben toen gepromoveerd over motoren – dieselmotoren en Wankel-motoren. Ik ben dus via de bezigheid met motoren tot de auto gekomen en ben eigenlijk al midden jaren negentig
begonnen met veel collega's na te denken: wat gebeurt er als we steeds meer auto's hebben? Wat gebeurt er dan met de maatschappij? En hoe kunnen we deze enorme vloot zogezegd weer meester worden? En omdat we in de sociale wetenschappen alleen het boek en het gesproken woord hebben, hebben we heel snel gemerkt dat we meer effectief worden als we onze eigen bedrijven en eigen producten opbouwen. En toen hebben we eind jaren negentig het eerste bedrijf opgericht:
het bedrijf Company for Highly Organized City Traffic Elements, kortweg Choice, met Audi AG, met Berliner Stadtauto, dat er destijds was, een carsharing-bedrijf en de BVG, en hebben toen al eigen producten gebouwd – leasingproducten – om te controleren: hoe veranderingsbereid zijn mensen? In welk jaar was dat? We zijn nu in het jaar 1998, moet je je voorstellen. Er was weliswaar al internet, maar nog geen mobiele telefoon, zogezegd in die zin. Er waren al de eerste mobiele telefoons, maar er was
nog geen mobiel internet. De smartphone kwam pas in 2007 in de wereld. We hadden in elk geval destijds al mobieltjes, maar nog niet – ja, dat waren destijds – BlackBerry kwam toen langzaam, maar was destijds ook nog niet actief. En toen hebben we in elk geval met dit bedrijf Choice veel geëxperimenteerd, de veranderingsbereidheid van mensen getest, maar we zeiden altijd: Om het volledige aanbod als alternatief voor de auto op te bouwen, hebben we natuurlijk de Deutsche Bahn AG nodig. En toen hebben we
in 2001 de Deutsche Bahn AG zogezegd gekregen. Maar die trad niet in het bedrijf in, maar kocht het hele bedrijf – als asset deal, onder meer mij. En sinds eind 2001 ben ik bij de Deutsche Bahn AG departementshoofd voor intermodale aanbiedingen geweest. Ik heb Call a Bike op straat gebracht, de flinkster, de uniforme carsharing-platform Touch and Travel gemaakt, wat later weer is afgeschaft. Wat was dat? Inchecken, uitchecken. Dat hadden we destijds nog zonder iPhone, dat hadden we met Motorola-telefoons, met
extra accu. En overal waren er touchpoints. Die zie je nog steeds af en toe. Dat zijn onderdelen op stations, waar je denkt: wat doet dat? En daarmee kon je destijds met je mobiel inchecken en daarna weer uitchecken. Dat hebben we van 2006, 2007, 2008 gedaan. En toen werd dat geïndustrialiseerd en bij de Deutsche Bahn als echt product opgezet. Maar voordat het echt kon starten, werd het door de Deutsche Bahn AG ook weer stopgezet. En omdat ik merkte dat grote concerns niet echt goed functioneren, hebben we toen nog
opnieuw met het WZB samengewerkt. Dat moet ik ook nog zeggen: mijn hele tijd heb ik doorgebracht aan het Wissenschaftszentrum Berlin voor Sozialforschung. Vanaf 1995 was ik ook professor aan de Technische Universität, en dat ben ik tot vandaag nog steeds, en heb toen met de oprichting van het Innovationscentrum für Mobilität und gesellschaftlichen Wandel in 2006 ook nog de maatschappijen van de Deutsche Bahn, Wissenschaftszentrum, Deutsches Zentrum für Luft- und Raumfahrt en later ook nog de Siemens AG erbij gehaald. En hebben toen al geprobeerd nieuwe mobiliteitssystemen fundamenteel opnieuw op te zetten. En omdat ons daar ook
de omgeving ontbrak en de elektrische mobiliteit al langzaam in zicht kwam, hebben we ons toen het terrein toegeëigend, wat destijds wat braak lag. Dat is het huidige ERF. En hebben we aan de toenmalige eigenaar, de huidige eigenaar, zeg maar nog een programma geschreven, dat hij niet op fossiele energieën zou inzetten, niet op kernkracht, maar op hernieuwbare energieën, en die meteen als sectorenkoppeling in warmte en vooral in verkeersgerelateerde activiteiten zou toepassen. En daar hebben we – in 2006 was het opgericht als NOZ, excuses – in 2006 was het opgericht als NOZ en in 2009 waren we
al op het terrein. Vanaf 2010 werd dit terrein het eerste testgebied of het eerste laboratorium voor toegepaste geïntegreerde elektrische mobiliteit, kan je zeggen. En daar ben ik toen in 2018 uitgestapt en ben nu weer aan het Wissenschaftszentrum, om nog eens fundamenteel na te denken: wat hebben we dan goeds gecreëerd? Wat was goed? Wat was succesvol? En waar moeten we nog sturen en ons opnieuw ijken? En daar zijn we nu mee bezig. Ja, spannend. Er zijn zoveel aspecten, die we nu graag kunnen belichten. Aan de ene kant alleen ter
verduidelijking: dit eerste stadium, waarover u sprak – was dat dan een startup in die zin, of hoe kun je je dat voorstellen? Deze oprichting, welke structuur had die? Precies. Ja, tegenwoordig zijn er – vroeger kon je onderscheid maken tussen startup en spinoff. Spinoffs waren onmiddellijke, directe gevolgen van wetenschappelijk werk. Dat was eigenlijk een spinoff, wat we deden. We hadden bepaalde ideeën aan het WZB, toen aan het WZB en ook aan de TU waren bepaalde dingen. En die hebben we
dan geïmplementeerd. Daarom is het gewoon een poging tot dubbele validatie. Want wat de peers, de wetenschappers zeggen, dat is het een, en een mooi artikel overal plaatsen is prachtig. Maar of de brug dan functioneert, de auto rijdt en de rekening daarna uit de printer ook komt of inmiddels in de app verschijnt, dat weten we nog steeds niet. En daarom moeten we het doen. En om dat te doen, hebben we dit bedrijf opgericht. En dat was van het begin af niet gericht op grote rendementen. En deze
spinoff, die u heeft gedaan, dat is een groot thema in Duitsland: hoe slaag je erin de uitstekende onderzoek – ook toegepast onderzoek, wat er bijvoorbeeld bij Fraunhofer is – in Europa en in Duitsland beter te doen? De Amerikanen geven ons daar wat voor. Hoe kijkt u tegen dit onderwerp aan? U hebt het toch succesvol gedaan. Wat ontbreekt? En wat zou men in die zin – wat heeft u ertoe gebracht dat te doen? En misschien: wat ontbreekt de andere wetenschappers, die zeker veel
ook zouden kunnen, dat ze het niet doen? Ja, uw vraag veronderstelt al het juiste, zou ik zeggen, namelijk dat we hier een reusachtig probleem hebben, wat we maar steeds voor ons uit schuiven. Dus vooral in de sociale wetenschappen heb ik altijd – ik zou zeggen jarenlang – in mijn colleges gevraagd: kun je je voorstellen een bedrijf op te richten? Dat was, alsof ik over de maan of over Mars vertelde: hoe, een bedrijf oprichten? En het was al wat ondernemender. Het is nu inmiddels helemaal buitenspel. Nee, ondernemer, onderneemster
kan ik me helemaal niet voorstellen. En dat is in Duitsland nummer één het probleem, dat we ook in de oprichtingssteun altijd het verkeerde doen. Het is altijd zo: je moet het al weten als je ondernemer bent. Als je dat niet in jezelf voelt, dan kun je het niet doen. Dus je hebt altijd de indruk dat het als een awakeningbeweging is. Dus als ik nu niets in mezelf voel, of ik ondernemer of onderneemster wil worden, dan doe ik het niet. Dat dat helemaal anders is, dat je
dat om praktische redenen soms wel doet, soms minder, maar het goed betaald kan doen – dat is al de verkeerde mentaliteit. En dan wordt men alleen ondernemer, als men zeg maar halfgaar is, als men op de een of andere manier niet koosjer is, als men moreel niet integer is. Dus we hebben helemaal geen echte pragmatische, nuchter omgang met het ondernemerschap zelf. Dat wordt ofwel gemythologiseerd ofwel verkeerd gebruikt, in ieder geval niet genormaliseerd. Dat is het een. En dan hebben we natuurlijk nog een reusachtige wetenschap, die maar om zichzelf heen draait. Wetenschap
momenteel in Duitsland de excellente wetenschap. Dat is al een geweldige zaak op zichzelf. Wat excellente wetenschap is, bepaalt de wetenschap zelf. En daarom hebben zij geen normatief begrip. Dat en dat is excellente wetenschap, maar dat is excellente wetenschap waar de peers, dus de collega's zeggen: dat is excellente wetenschap. En dat is een constructie die men natuurlijk nodig heeft. Maar die heeft men altijd nodig om een netwerk heen. En er is niets objectiefs dat dat op de een of andere manier zou kunnen bewijzen. En we hebben met de samenleving eigenlijk een
contract gesloten, zo heet dat ook, dat wij als Duitse staat zeer veel geld in de wetenschap steken. Nog steeds heel, heel veel geld. En wij verwachten daar een opbrengst uit. Maar dat wordt niet vastgelegd. Dus hoe hoog moet de opbrengst zijn? Hoe gedifferentieerd moet hij zijn? Nee, het is slechts een verwachting, en die wordt niet waargemaakt – uit mijn oogpunt helemaal niet. De Max-Planck-Instituten krijgen nu en dan een Nobelprijswinnaar. Dat leidt er nog steeds toe dat de Max-Planck-Instituten helemaal geen verantwoording afleggen over wat zij
eigenlijk met het geld doen. Ze leveren wel gebruiksverklaringen af, maar hoe zij het doen, hoe zij zichzelf evalueren, dat weet buiten de Max-Planck-Maatschappij niemand. Ze halen het geld eenmaal per jaar op en geven dan uiteindelijk ergens resultaten af. En wij als samenleving hopen dat het wel goed zal gaan. De grote onderzoeksfaciliteiten, het tweede grote deel, de Helmholtz-Gemeinschaft, bouwen apparaten – zeg ik nu maar heel disrespectfully – die niemand meer nodig heeft. Daar wordt geld zonder einde geïnvesteerd in versnellingsringen die men wereldwijd beter
zou kunnen gebruiken. Sharing zou daar een goed alternatief zijn, maar niemand kijkt er nauwer naar. Dan komen de Fraunhofer, en die hebben gezegd: we hebben een super truc. We hebben niet alleen basisfinanciering, maar we hebben ook financiering waarbij we ons op de markt moeten bewijzen. Maar dat veel programma's momenteel bij het BMBF speciaal voor Fraunhofer zijn ontworpen zodat zij dit principe kunnen vervullen, dat weet niemand. En dat we al tientallen jaren niets meer hebben wat zo spectaculair was als de MP3-speler,
dat valt bijna niemand op. We hebben hier en daar iets – BioNTech en een paar andere farmaceutische producten zijn heel goede voorbeelden –, maar verder ontbreekt ons in Duitsland volledig, ook in de IT-branche, iets waarvan we kunnen zeggen: ja, dat loont zich met de wetenschap. Want, zoals gezegd, de academische wetenschap is uitsluitend gericht op academische reputatie. En daarom bereiken we in Duitsland niets, zeker niet omdat we ook de verkeerde structuur in ons hoofd hebben. We denken altijd: bovenaan, reputatiebrengend, is de basisonderzoek. En dan stroomt
de kennis als een cascade omlaag. En helemaal onderaan is de toepassing. Daarom staan in de pikorde, in de reputatiestructuur, de hogescholen – de hogescholen voor hoger beroepsonderwijs, de vroegere – helemaal onderaan. Een hogeschoolprofessor is dus ook geen echte professor. Maar in feite is het zo dat we eerst naar de toepassing moeten gaan en dan pas ontdekken welk basisonderzoek eigenlijk nodig is. We moeten dat omdraaien. We hebben dus niet alleen geen goed beeld van ondernemerschap. We hebben een volkomen
verkeerd georganiseerde, gestructureerde wetenschap. En we hebben in Duitsland cultureel helemaal geen trial and error. We moeten alles altijd in structuren hebben. Een goed voorbeeld zijn de autonome voertuigen. We bereiken niets – helemaal niets – omdat we een algemene verordening hebben. Als je autonome voertuigen in het verkeer wilt brengen, moeten die ongeveer zeven keer veiliger zijn dan degene die we nu al hebben, die namelijk niet veilig zijn. En het moet zo veilig zijn dat er niets kan gebeuren. En als er niets kan gebeuren,
dan gebeurt er ook niets. En dat is een probleem. Daarom hebben we in alle relevante onderdelen van de technologievelden van de toekomst geen relevantie meer in Duitsland, ook in Europa steeds minder. Dat valt alleen niet op omdat we nog van het erfgoed leven. En ik vind dit perspectief buitengewoon spannend. Om het wat persoonlijker te maken: hoe is het bij u gegaan dat u die stap hebt gezet? – Ja, een vriendelijk desinteresse, zeg ik maar. Mijn wetenschappelijke carrière werd daar zeker niet door ondersteund.
In de sociologie kent men ondernemerschap niet – hooguit als object waar men over onderzoekt. Dat werd ook erkend. Maar ik had eens voorgesteld bij de Deutsche Gesellschaft für Soziologie op een sociologendag "The Making of Cölbike" voor te stellen. Omdat ik dat aan de TU als seminar had – meer dan 200 mensen wilden destijds graag weten hoe het met de deelsteps ging. En toen zeiden zij: nee, nee, dat doen we niet. Dus dat was volstrekt ondenkbaar. En daarom moet men zich
– dat heet wetenschapsondernemer of wetenschapsentrepreneur. We hebben die natuurlijk ook zelf bevraagd. Men maakt van eigen nood altijd een deugd, door te zeggen: oké, als ik dit niet echt red, dan ben ik weer socioloog en onderzoek ik het niet-functioneren. En als u die in Duitsland vraagt, zeggen zij u allemaal: doe het niet. U moet zich in Duitsland altijd meteen beslissen: ben ik wetenschapper of ben ik ondernemer? Het daartussenin, dat wordt in
Duitsland niet gewaardeerd. De tijd waarin een Linde, een Hugo Junkers – ja, je kent ze niet eens meer. Al die pioniers die ons eigenlijk groot hebben gemaakt, omdat zij wetenschappers en ondernemers waren. Die hebben we helemaal niet meer. We hebben er praktisch geen meer. Ja, dat is een hoofdstuk apart. En de geschiedenis van het ontstaan met de Duitse Spoorwegen – kunt u daar nog even op wijzen dat het als ondernemer eigenlijk ook altijd
een partnerschap met zulke grote organisaties bereiken helemaal niet zo triviaal is. Kunt u dat nog even toelichten, hoe dat was? Ja, dat is ook – dus we hebben toen al besloten: We hebben een hefboom nodig. Wat hebben we aan een mooie uitvinding of bijvoorbeeld een carsharing-platform. Er was al carsharing in Duitsland – dus we zijn terug in 1999/2000. Maar die waren allemaal geïsoleerd. Iedereen had zijn eigen systeem. Toen kwam de wonderbaarlijke uitvinding van de zogenaamde cross-utilization. Als u lid was
in Kiel en wilde in Berlijn rijden, dan moest u ongeveer 20 formulieren invullen. Dan kreeg u een extra sleutel, dan moest u ook naar het kantoor gaan, en dan kreeg u na veel moeite ook een auto. Toen hebben we al gezegd: Zo kan het niet, dat moeten we een beetje veranderen. En dat kan niet weer een klein bedrijf zijn – we spraken toen meer over kleine ondernemingen, startup was nog niet zo'n groot begrip. En daarom was duidelijk: We hebben een hefboom nodig.
En toen hebben we lang nodig gehad tot de Spoorwegen in hun enorme concernstructuur echt een hoek vonden waar ze zeiden: Daar kunnen jullie het eens proberen. En dat was toen het wagenppark. Dus dat was het deel bij de Spoorwegen dat met auto's uit de voeten kon. De Spoorwegen hebben namelijk bijna 30.000 auto's in bezit – niet alleen als bedrijfswagens, die de Spoorwegen ook altijd heeft, maar ook voor service en alles wat de Spoorwegen verder nodig hebben. En die waren al geïnteresseerd in zoiets als carsharing. En toen hebben we
het programma opgezet, zodat je een geïntegreerde spoorwegconcern had die de laatste en eerste kilometer bediende, zodat mensen niet alleen met de taxi of met de bus, maar ook met andere mogelijkheden naar het station kunnen komen en vooral van het station weg kunnen komen. Dat was het idee. En dat was in de tijd van Hartmut Mehdorn – ook zo'n echte ondernemer. Dat was zo'n echte sterke man, moet je zeggen. Ik vind het ook veel te onterecht dat hij daar steeds weer voor kritiek krijgt
van alle kanten. Die heeft dat ook doorgezet. Die had vooral bevoegdheden om besluiten te nemen, en die zei ons toen bijvoorbeeld over Call Bike en zag meteen: Dat kan zelf geen winstgever zijn. Je kunt niet van de inkomsten uit gebruiksvergoedingen het Call-Bike-systeem bouwen. Maar we hebben dat nodig als imago-drager, we hebben dat nodig als zichtbaarheid. Die zei dan in zo'n pauze – dat hebben we gezien – overal DB-vlaggen overal. En hij wilde overal het logo van DB hebben. En
toen zei hij: Dat zijn prachtige dingen met die fietsen. Die staan overal in de stad, en overal zie ik mijn logo. Dat was een goed idee van hem. En toen zei hij: Jullie stoppen dat gewoon erin bij jullie. Jullie verdienen veel geld in dit wagenppark met de Spoorwegen, met de auto's, en daarom doen jullie het. En dat was natuurlijk riskant, maar
uiteindelijk moet je zeggen dat het niet heeft uitgepakt, want na veel verwarring en ook veel successen – dat kan je al constateren, de carsharing-branche heeft daar enorm van geprofiteerd, omdat er inmiddels een uniform, digitaal gestructureerd platform was – moesten we vaststellen dat de Spoorwegen toch zoiets als een stichtend centrum hebben. En dat zijn spoorwegvervoer. Dus bij de Spoorwegen kun je alleen wat worden als je spoorwegvervoer organiseert. En alles daar omheen wordt dan, als er crisis en oorlog en allerlei dingen zijn, eerder naar de achtergrond gedrongen
of eerder stilgelegd. Dat gold voor de fietsen, temeer voor het carsharing. De Spoorwegen kunnen geen bussen, de Spoorwegen kunnen niets anders dan spoorwegvervoer – dat moet je begrijpen. En daarom is het een van mijn inzichten waarom ik nu weer bij de WCB ben. Sinds ik weer terug ben bij de WCB, is het inzicht: De geïntegreerde mobiliteitsdienstverleners, zoals we altijd hebben gewild en gewenst – BMW, Daimler zouden dat ook moeten zijn – die kunnen niet bestaan. Die functioneren niet, omdat deze concerns gewoon zo in elkaar zitten, moet je zeggen, dat ze maar één ding kunnen. Ja, dat is wel een relevant onderwerp. Juist deze dagen werd Free Now aan Lyft verkocht. Ja, de Clever Shuttle valt me ook nog in als voorbeeld, waarbij de Spoorwegen zich als aandeelhouder en vennoot hebben betrokken en dat helaas ook niet meer verder hebben ondersteund. Misschien mag ik dat nog zeggen: Ook het InnoZ had echt – ik wil niet zeggen oorlog. Dus ik persoonlijk raakte toen ook
in een echt lastig parket, omdat concerns uiteindelijk niet alleen maar één ding kunnen, maar ze kunnen ook alleen loyaliteit waarderen, niet innovatie of eens out of the box denken. Dat wordt weliswaar steeds weer uitgesproken. Er zijn mooie spaces, er zijn mooie labs opgericht, om toch iets te doen. Ineens hebben ze sneakers aan, het bestuur heeft ineens geen stropdas meer. Dat ziet er zo informeel uit, is het maar niet, omdat er alleen loyaliteit wordt gewaardeerd. En het InnoZ was al brutaal, zei: Hé, zoiets als jullie
in een echte nare situatie, omdat uiteindelijk zulke concerns niet alleen maar één ding kunnen, maar ze kunnen ook alleen loyaliteit waarderen, niet innovatie of eens out of the box denken. Dat wordt weliswaar steeds weer uitgesproken. Er zijn mooie spaces, er zijn mooie labs opgericht, om toch iets te doen. Ineens hebben ze sneakers aan, het bestuur heeft ineens geen stropdas meer. Dat ziet er zo informeel uit, is het maar niet, omdat er alleen loyaliteit wordt gewaardeerd. En het InnoZ was al brutaal, zei: Hé, zoiets als jullie
nu werkt het niet. En deze kritiek kon het spoor niet verdragen. Zij hebben het InOZ uitgeschakeld. Hetzelfde gebeurde met Clever Shuttle. Clever Shuttle had een zelfstandige ondernemingsaanpak gekozen. Dat zou ook moeten worden gedaan. Het spoor heeft dat officieel gedaan. Het spoor heeft ook veel geld geïnvesteerd. Maar toen dat van kracht werd en Clever Shuttle zei: Nee, we laten ons niet consolideren. We hebben onze eigen complianceregels, zei het spoor: Sektor des Selters. En toen hebben de Clever Shuttle-jongens nog even geaarzeld. En
ziezo heeft het spoor besloten: Jullie zijn uitgeschakeld. En toen waren ze dood. Ja. En hoe kijkt u tegen het onderwerp DB Mindbox aan, nu we toch bij het spoor zijn? Daar is ook deze innovatieafdeling. Innovatieafdeling – dat is al de juiste term. Ik heb – een van mijn pionierwerken bij het spoor was dat ze daar vlak daarvoor stonden om een Bevoegde voor Innovatie in te stellen. Dat merk je al aan de woordkeuze dat dat niet werkt. Het goede aan de Mindbox – wij
hadden – is dat zij onze kantoorruimten overnamen. We zochten destijds naar een kantoorruimte die zo chique was, zó zoals hier de uwe. Maar die was destijds nog cooler. Dat was aan de Jannowitzbrücke. We zochten een plek waar je de intermodaliteit van het verkeer echt kon zien, voelen, beleven. Dat is er nog steeds. Alles is daar nog en bestaat ook nog. Het station is niet slecht, kan je wel zeggen. Maar ik zou nooit meer graag een kantoor buiten een station willen hebben. Men is wonderbaarlijk goed bereikbaar. Je voelt je
ook bereikt. Dat is best grappig. We hadden het water. Ab en toe kwam er nog een watervliegtuig. We hadden alle vervoermiddelen bij ons – de straat natuurlijk ook, de metro – en daar zit de Mindbox nog steeds in. En daar zit ze ook nog steeds in. Maar ik wil de collega's niet te na treden. De individuele collega's bij het spoor zijn allemaal betrokken mensen. Maar de structuur is zo systematisch ingericht dat daar uit deze Deutsche Bahn AG niets uit kan komen, omdat het in de grote wielen van de structuren,
van de concernstructuur, van het weinig vertrouwen wordt fijngewreven. Toen we destijds bijvoorbeeld Touch and Travel introduceerden, zei ik: Men checkt in en men checkt dan op een gegeven moment uit. En toen zeiden ze mij: Ja, wat dan? De mensen willen toch weten hoeveel het kost. Ik zeg: In grove lijnen kun je ze natuurlijk een prijsband voorstellen. Maar misschien is dat de clou en het goede van dit nieuwe aanbod, dat men het niet weet – want bij de auto weet men het ook niet. Als
ik niet wil weten hoeveel mijn auto echt kost, dan weet ik het ook niet. En dat kon je bij het spoor niet doordringen. En het nieuwe verkoopsysteem NVS heeft dat dan ook niet aanvaard. En het NVS bestaat tot vandaag. Dat was al 20 jaar geleden, het NVS. Dus het "Nieuwe" is al uitgebalanceerd, het is gestructureerd. Het spoor staat zichzelf in de weg. Dat heb ik dan natuurlijk ook – zo'n goed voorbeeld – bij Call a Bike dan ook overgenomen.
We zijn toen in 2007 begonnen. De eerste app – ik geloof dat in de App Store op het gebied van vervoer, ik geloof alleen wij. De eerste app voor een vervoersactiviteit was Call a Bike. En we hadden, geloof ik, de indruk dat we nog persoonlijk met Steve Jobs konden spreken. Die leefde toen nog. Dat was een – dat was met Californië een interactie, je kunt je dat vandaag niet meer voorstellen. En toen hebben de collega's dat gedaan. En we waren er trots op, omdat we dit stationäre aanmeldingsproces – voor onze jonge kijkers
en luisteraars misschien nog even: in die tijd had men geen smartphone, nou ja, wist niet hoe dat werkt. Men had nog stationaire apparaten. Men had zijn laptop, thuis kon men zijn aanmeldingsformulieren invullen. Men had tijd. En dat men het internet nu mee kan nemen, in de publieke ruimte kan overbrengen, heeft echter tot gevolg dat ik me nog sterker moet reduceren. En we hadden precies die complexiteit, die het spoor altijd verlangt – ik weet niet, 45 items –, dan op een app gebracht, met
als resultaat dat we weliswaar prijzen hebben binnengehaald als niets anders. En dan kom ik veel te laat erachter: Ik zeg, jullie app vind ik top. En dan merk je pas: Maar niemand heeft hem gebruikt, of niemand heeft dit proces helemaal doorlopen. Veel te ingewikkeld. We moeten dan omschakelen. De nieuwe media hebben nieuwe uitdagingen. Ze hebben nieuwe kansen, moeten maar anders bediend worden. En dit proces heeft het spoor tot vandaag niet begrepen, dat een app een compleet ander ding is,
die wonderbaarlijke dingen kan, maar andere dingen niet nodig heeft. En dat ontbreekt een concern – deze flexibiliteit ontbreekt dit concern. En dan wat betreft elektrische mobiliteit: u zei dat het op de een of andere manier ontstond. Hoe precies heeft u de focus op e-mobiliteit gelegd? Nou, omdat ik me al met motoren had beziggehouden, heb ik natuurlijk ook al rond de eeuwwisseling gekeken: Waarom is eigenlijk de verbrandingsmotor gekomen? En waarom niet al die anderen, die veel wijder verbreid waren – elektrische mobiliteit, stoomvoertuigen gaf het – waarom
dan? Dat is natuurlijk een interessante vraag. De elektromotor was, geloof ik, in de ontstane jaren – het was veel eerder. In 1870 was er praktisch niet veel ander stand dan we vandaag hebben. Dus die hebben allemaal al wonderbaarlijk goed gewerkt. Elektriciteit was toen het medium van de toekomst. Iedereen die modern was, had elektriciteit. Elektriciteit was de aura van het moderne. En toen kwamen deze rattekasten. Die waren niet alleen luid, maar ze stonken ook. En het
Er waren alleen maar problemen met de eerste voertuigen. Er is natuurlijk de legendarische rit van Bertha Benz. En daar omheen werd steeds weer geschreven. Dat waren ook nog pioniersritten. Maar zij had nu niet veel weerklank. Men wachtte dus niet op deze auto's. En ze hadden ook helemaal geen doel. Men wist helemaal niet wat men ermee moest doen. En toen hebben de groten, de mooien en de rijken zich deze auto's toegeëigend en hebben vooral langeafstandsritten ermee gemaakt en belastingsritten. Rallies zou men vandaag zeggen. En daarvoor
heb je zogezegd long-distance-kwaliteiten nodig. En vloeibare koolwaterstoffen hadden natuurlijk een hogere energiedichtheid. En het was relatief snel duidelijk dat je ermee verder komt. Dat waren destijds loodzuren accu's. Dat was klassiek: 20 kilometer, dus zo 30, 40 was dan al voorbij. En in de winter, dat weten we tot vandaag, was dat al heel erg. Maar de snorrende voertuigen hadden dan echt de eerste pioniers die zich hiervan meester maakten. Bijvoorbeeld mensen die deze langeafstandsritten maakten. Die
vertelden de ingenieurs dan ook hoe zij de auto een beetje anders wilden hebben. Dat waren eigenlijk koetsen zonder paarden. Dan werden de zwaartepunten naar beneden geschoven. Dan werd langzamerhand een zekere kwaliteit ontwikkeld, terwijl de elektrische aandrijvingen nog steeds in koetsen werden ingebouwd. Die hebben dus deze technologische impuls door de rally-toepassing praktisch helemaal niet mee kunnen maken. En zo ontstond er dan een ongelijke ontwikkeling. De elektrische voertuigen bleven een beetje steken, en de verbrandingsmotorvoertuigen werden eigenlijk steeds beter. Er is de beroemde meneer Jelinek. Dat was een
in Nice wonende kosmopoliet, zou je kunnen zeggen, heel rijk. En die organiseerde dan ook deze raceritten en vertelde vooral de Daimler-mensen hoe men een echt auto bouwt. En het eerste echte voertuig was dan in 1902 ook een verbrandingsmotorenvoertuig, dat meteen grote wielen had en het meest op een tegenwoordige auto lijkt. En hij noemde die meteen naar zijn dochter, namelijk Mercedes. Deze impuls hebben de elektrische voertuigen niet gemaakt. En toen de elektrische starter ook nog werd uitgevonden
een paar jaar later, dan was het ja alleen nog maar een druk op de knop om de karren aan de gang te krijgen. Daarvoor moest je dat met een kruk doen. Dat was zo moeizaam dat vrouwen dat praktisch helemaal niet konden, tenzij zij toevallig een man of een sterke kerel bij zich hadden die het deed. En toen dat nog gebeurde, kon de opmars niet meer worden tegengehouden. Wanneer was dat? Dat was eigenlijk al voor de Eerste Wereldoorlog. En toen ging het na
de Eerste Wereldoorlog echt los. Er was dan ongeveer 40 jaar lang een coëxistentie. Van ongeveer 1870 tot 1988, was er een coëxistentie. Ook in de aantallen. De elektrische auto - de brandweer reed natuurlijk alleen maar met elektrische voertuigen, want geen enkele brandweer kon zich voorstellen om - ze heetten destijds nog explosie-motoren - met benzine door de buurt te rijden. Dat was ondenkbaar. En je ziet dat vandaag nog in Berlijn als je naar Oberschöneweide gaat en
naar de HTW gaat. En ertegenover staat nog steeds het grote gebouw van Peter Behrens, een van de grootste industrieontwerpers die wij in Duitsland hebben gehad. Die heeft voor de NAG, de Nationale Automobil-Gesellschaft, een passend gebouw ontworpen. En daar bouwde de NAG net als Siemens tot 1940 elektrische auto's. Dus die waren nooit helemaal verdwenen. De verbrandingsmotor was dan steeds dominanter. De elektrische auto's reden sterk in bedrijfsmatig gebruik. Er waren de beroemde melkwagens, de brandweren en veel
gemeentebedrijven hadden nog steeds elektrische auto's. Die waren dus nooit helemaal weg. Maar men richtte de aandacht altijd op de verbrandingsmotorvoertuigen. Maar op een bepaald moment waren ze weg, toch? Ja, dus na de Tweede Wereldoorlog was er nogal wat stagnatie met elektrische aandrijvingen, ook wereldwijd - dus in de jaren 50, 60. Dat was geen goede tijd voor de elektrische voertuigen. Die kwamen pas weer in 1973. Ook voor onze jonge luisteraars: toen was er de Jom Kippoer-oorlog. Toen werd Israël voor het eerst
echt overvallen en sloeg natuurlijk ook dienovereenkomstig terug. En toen hebben de Arabische staten als tegenmaatregelen de oliestroom gaan vertragen, met als gevolg dat deze olie, die praktisch daarvoor nooit iets kostte, nu plotseling een relevant prijs had. En bij ons in het Westen ging de avondwereld onder. Dus geen olie meer - crisis. We hebben meteen in paniek gereageerd. Er waren de heel beroemde vier autoloze zondagen. Ik heb dat nog meegemaakt. Ik kon toen plotseling op snelwegen trainen. Men kon voetbal spelen. Dus dat
was natuurlijk nog een evenement, maar het was duidelijk: met de verbrandingsmotor kom je al aan grenzen, en de afhankelijkheden van olie zijn extreem hoog. We hadden praktisch 70 tot 80 procent van de invoer uit Arabische landen. OPEC werd plotseling als acteur relevant. En toen begon de zoektocht naar alternatieven. En daar was de elektromotor plotseling weer een optie. Vanaf toen begonnen ook de bedrijven weer onderzoeksafdelingen op te richten en te kijken. De Stirling-motor was interessant. Waterstof was natuurlijk ook
weer. Hij kwam op het toneel. Maar men begon weer met elektrische voertuigen te werken. Maar dat was pas later. Dus ik zit daar absoluut niet zo diep in de geschiedenis van de elektrische mobiliteit, merk ik. Maar het is extreem spannend. Mocht u daarin referenties hebben naar boeken of hoe men zich daar verder kan inlezen, zou dat ook interessant zijn. Al met al, ja, in de jaren 90 kwam het. Er was natuurlijk het beroemde verhaal "Who Killed the Electric Car" van GM, de EV1, geloof ik, voor Tesla
nog. Dat was eigenlijk, geloof ik, een van de grootste pogingen om elektrische mobiliteit weer tot leven te brengen. Maar misschien, ik weet het niet, ongeveer tussen de jaren 70 en geloof ik eind jaren 90. Ja, het begon al eerder. '73, zoals gezegd, kwam het plotseling terug. Het werd door de oliecrisis – of eigenlijk een olieprijscrisis – voor het eerst weer onder de aandacht gebracht. Men had ook eerste prototypes weer. Men zag weer auto's met elektrische batterijen. Maar dat was nu ook meer halfsladig gedacht dan
gemaakt. En dan komen we langzaam in de jaren 80. En in de jaren 80 begon het milieu-onderwerp een rol te spelen, vooral vanuit Californië, omdat in Californië – of zeg maar, Los Angeles – ligt nu eenmaal in een dal. En afhankelijk van het weerbericht zijn de bijbehorende emissiewaarden zo erg. Van klimaatverandering sprak men destijds niet, het ging gewoon om de relevante smogproblemen. Men realiseerde zich eerst dat het lood in benzine problematisch was. Dat had men nodig
ja, om de kwaliteit van het benzine zogenaamd te creëren. Dus lood was zogenaamd een booster voor de prestatiemogelijkheden van benzine. Dat moest verwijderd worden. Dat is in Californië al in de jaren 60 gebeurd. En in de jaren 70 – terwijl we de olieprijscrisis hadden – begon het al in Californië: te veel auto's, de steeds meer groeiende auto's vormen een probleem. En uiterlijk in de jaren 80 stond dat op de agenda. En toen kondigde Californië voor het eerst de Zero Emission Vehicle-verordening voor 1998 aan. En die had een
voorgeschiedenis, want het CARB, het California Air Resources Board – dat zijn eigenlijk geen. Dat zijn geen domme mensen, maar die kijken: wat zou de industrie eigenlijk kunnen doen? Dus ze beginnen nu niet zomaar te zeggen, we schrijven jullie deze en deze emissiewaarden voor. Ze kijken. En daar was een beroemde Roger Smith, bekend uit de documentaire "Roger and Me". Roger Smith was directeur van GM. En de GM-ingenieurs hadden ook al gezegd, nou ja, elektrische auto's, dat zouden we ook kunnen. En
hebben dat dan. En toen vertelde Roger Smith de Californische autoriteiten op een gegeven moment: Luister, jongens, elektrische auto's, die hebben we volledig onder controle. Dat kunnen we ook. En toen zeiden zij: Oké, oké, dan schrijven we dat voor jullie voor. En toen zei hij: Jullie willen me toch niet dwingen om deze auto te bouwen. Ja, zeiden zij. En daaruit is dan de EV1 – dat heette eerst "Compact" – ontstaan. De EV1 is in elk geval in, ik zou zeggen, 470 exemplaren gebouwd. Eén
Een platvis, een platte platvis. Die kwam dan in de jaren negentig inderdaad in gebruik. En dat was een groot succes, vooral voor de beroemdheden. Dus iedereen die in Californië iets van zich af wilde biten, die had zo'n EV1. Er was ook voor het eerst zoiets als een blogbericht, dat werd ook op internet voor het eerst echt aangeprezen. En dat moest GM noodgedwongen bouwen, om aan te tonen: wij zouden deze emissiewaarden ook kunnen halen. Maar dat lukte om verschillende redenen niet. Er was de
infrastructuur niet. De auto's hadden ook nog niet de kwaliteiten. De actieradius was het probleem. En toen werd de druk van de andere fabrikanten steeds groter, zodat Californië deze Zero Emission Vehicles-verordening steeds meer heeft verzwakt – tot vandaag de dag nooit in de kwaliteit zoals die in 1998 eigenlijk zou moeten zijn, ingevoerd heeft. Want met deze '98-regel zouden vanaf 2008 praktisch bijna geen emissies meer in auto's hebben kunnen plaatsvinden. Dat was dus erg radicaal gedacht. Goed, maar sindsdien was de auto er, dus als idee er. En
toen was er ook lange tijd een beetje stilte. En ik was ook erg
verrast toen we Innocet in 2006 oprichtten – zo rond 2007 begon het onderwerp elektrische auto, elektrische mobiliteit ineens te exploderen. Tegen Tesla? Tesla bestond nog niet eens. Tesla was nog geen relevante speler, maar de elektrische mobiliteit werd vooral gevoed door de energiewirtschaft, die ineens ook groot interesse had. De energiebedrijven wilden wat doen. De autofabrikanten hadden ook met Californië in gedachten al de ideeën. En relatief snel – zeker sinds 2008, 2009 – was China een belangrijke speler. Want de toenmalige chef van het
Senat, zou je in Berlijn zeggen – Professor Wan Gang, een goede vriend van me. Die was namelijk een Audi-ingenieur en had bij Audi gewerkt, promoveerde in Clausthal-Zellerfeld, was gelukkig, had zijn huisje in Ingolstadt, zat daar en had al gedacht: hier word ik oud – totdat er een Chinese – ik geloof zelfs de ministerpresident – eens langs Audi kwam. En toen zei hij tegen hem: Zeg, als ik in China wat te zeggen had, dan zou ik het zo en zo doen. Ik zou helemaal niet meer
op verbrandingsmotoren zetten. Ik zou eigenlijk een leapfrog doen. Ik zou meteen in de elektrische mobiliteit gaan. En toen zeiden zij: ja, als jij hier zo staat te oreren en te spuwen en verhalen vertelt, dan kom je daar. En toen hebben ze gewoon een fantastisch programma gemaakt. En toen ging hij naar de Tongji-universiteit in Shanghai – eerst als professor, daarna als hoofd van Tongji – en zette toen het beroemde elektrische mobiliteitsbevorderingsprogramma op. En ik zie het nog ergens – ik zie mezelf daar. Ik had hem bezocht. We hadden een intensieve
Contact. En toen keek ik plotseling naar het Tagesschau-journaal. Hij werd zelfs minister. Het was een niet onbelangrijke minister, namelijk voor Wetenschap en Onderzoek, maar met zijn reputatie kon hij dit programma echt goed vestigen en in 2008, 2009 nodigde hij praktisch de hele wereld uit, naar China, vooral naar Shanghai, om het programma voor te stellen en te zeggen: "Ziet u, wij zetten in op elektrische mobiliteit om milieuredenen, maar vooral om industriepolitieke redenen, maar wij bieden jullie partnerships aan. Maar jullie moeten weten, wij zullen alles doen opdat
verbrandingsmotoren meer beperkingen krijgen, nog meer dan we nu al hebben. En wij zullen de elektrische mobiliteit ondersteunen. We zullen ook registratiebeperkingen opheffen. Alles." En toen lachte de Duitse automobielindustrie alleen maar. Ze zeiden: "Mensen, dit is volledig de verkeerde weg. Bouwt dieselmotoren. Die zijn veel efficiënter. Jullie halen het helemaal niet met deze elektrische auto's." En dat was de grootste misvatting van de Duitse automobielindustrie. De Amerikanen en de Japanners hielden zich sterk op de achtergrond. Japan en China hebben toch al zo'n moeilijke relatie. En de Amerikanen, praktisch als ze zijn:
"Prima, dan doen we iets anders. We kleven niet aan deze technologie." De Duitsers kleefden aan deze technologie en – ja, het resultaat zien we nu. Intussen had VW 70% marktaandeel, nu onder de 4%. Ze hadden intussen bijna 60% van alle uitvoer van de Duitse automobielindustrie – van de hele automobielindustrie – ging naar China, gaat nu naar beneden. En de Duitse automobielindustrie krimpt nu en zal mogelijk in deze vorm niet meer overleven. En dat was in 2008. En toen kwam langzaam Tesla, plotseling zo heel
langzaam zachtjes verschijnen. En dat moet gezegd worden, ondanks enige – een paar irritaties over Elon Musk – nou, ze hebben aangetoond dat het inderdaad zo is, zoals iedereen al vreesde. Je kunt zeggen, van nul af aan heel snel – men had kunnen zeggen, vanuit het internet – een auto bouwen van hoge kwaliteit, die deels zelfs superieur is aan het Duitse kwaliteitsniveau, en slaagt erin zich binnen 10, 15 jaar aan de top van de elektrische mobiliteit te plaatsen. Dat heeft natuurlijk tot op de dag van vandaag diep,
diep, een diepe droefheid in de Duitse ziel veroorzaakt, zogezegd de ingenieursziel. Ja, erg interessant. En hoe kijkt u naar het onderwerp BMW i3? Omdat ik meen dat dit een van de eerste voertuigen van de Duitsers is, die eigenlijk goed bedacht waren. Je had het gevoel dat de Duitsers dit serieus namen, het onderwerp e-mobiliteit en duurzaamheid. En toen werd het lange tijd toch verwaarloosd als project. Dat was in 2011, toch, als ik me niet vergis? Ja, ja. De i3 werd relatief
snel ook opgezet. Dat was het Project X zogezegd daarbinnen. Ze hadden dus – BMW kreeg dat eigenlijk destijds, vermoeden we, geïnspireerd door de eigenaarsfamilie Quandt – om te zeggen: "Oké, we moeten voorbij de klassieke verbrandingsmotorlijnen." De Bayerische Motorenwerke heten niet alleen Bayerische Motorenwerke, maar zijn ook Bayerische Verbrandingsmotorenwerken. Ze hadden dus de beste diesels, de beste – BMW was trots op de beste verbrandingsmotoren. Daarom moest je deze elektrische aandrijving een beetje afzijdig maken. Ze organiseerden Uli Kranz als projectleider, een erg
erg slimme ingenieur. En er was ook in het directie een beschermvrouwe. En toen hebben ze echt een volledig nieuwe auto ontworpen, vooral één die niet alleen een ander motor had, maar ook andere materialen die erin werden gebruikt. Dat was dus de eerste – of niet de eerste, maar een auto georganiseerd op lichtbouw, omdat men inzag: Je kunt niet alleen de motor uitwisselen, je moet ook enigszins de automobielconstructiefilosofie verlaten die je kende. En daar hebben ze pionierwerk geleverd, maar hebben de moed verloren, omdat
natuurlijk deze auto erg duur was. Daar begon al het eerste – dus, men heeft veel grote auto's, de 7-serie en andere producten bij BMW, die tot op de dag van vandaag sterk worden gekruissubsidieerd, omdat men het wil. Dat hoort erbij. De 12-cilinders in de 7-series, die gelukkig niet meer bestaan – sterk deficitaire machines, reusachtige ontwikkelingscapaciteit opgeslokt, niet echt verkocht. Maar bij de i3 wilde men dat niet meer doen of kon men het niet meer. Men had de auto voor €35.000 op de markt kunnen brengen, en dat zou weggegaan zijn als een speer. Als je nog een stuur wilde hebben, was dat bijna €50.000. Slechts weinig pioniers konden dat zich veroorloven. Dat was lafheid nummer één. En lafheid nummer twee was dat men niet lang genoeg aan dit technologische offensief vasthield, omdat men merkte dat de anderen niet nakwamen. Het credo in de Duitse automobielconstructie is: succes is dan wanneer nagebouwd wordt. Dus, als de anderen het kopieren, dan is het goed, omdat ik dan meer
productiestukken kan maken, heb ik schaalvoordelen. En dat was niet het geval bij de i3. Men ging niet op dit offensief in. De anderen bleven zo bouwen als voorheen. "Ja, we redden ons wel alleen." En daarom gaf BMW al na drie, vier jaar praktisch de i3 op en zeiden: "Oké, dat beetje elektrische mobiliteit bouwen we in de lijn, hier links verbrandingsmotor, rechts elektrisch, en dat krijgen we wel voor elkaar." En dat hebben ze nu gedaan en zijn intussen ook in deze strategie niet onvol
makig, moet gezegd worden.
ook zeggen. Ze verkopen op dit moment nog altijd vooral elektrische auto's. Maar het was geen moedige weg. En de muedige weg die men eens had, heeft men niet verder gevolgd. En de toekomst, neem ik aan: zelfs als zij diesel als kernexpertise hadden, ligt hun onderzoek al bij de elektromotor in hun ogen, of niet? Dus, we hebben daar. Er was toen het Nationale Platform Elektromobiliteit, waarbij ik ook het genoegen had deel aan te nemen. Dat was echt een echte opbrengst in een nieuwe vorm, waarbij
wetenschap, economie, elektromobiliteit, dus elektrotechniek en automobiltechniek samenkwamen. En dat hebben we daar zeker gedaan. Steeds overwogen: Is dit echt het betere alternatief? En ik weet niet hoeveel studies Daimler, BMW, Volkswagen, het Umweltbundesamt, de hele eco-instituten – alles wat kruipt en vliegt – gedaan hebben. En ze zijn unisono. Wereldwijd kun je ze samenvatten in één simpele zin: Als je al een auto hebt, dan een batterij-elektrische auto. Dat is nog altijd een beetje beter en het wordt ook steeds beter. En wat mij indruk maakt, is dat we
toentertijd de cijfers hadden, vooral in de ontwikkeling van de batterij – kwaliteit, prijs-prestatieverhouding – die zijn inderdaad zo uitgesteld als voorspeld. En we hadden toentertijd gezegd, de batterij-elektrische voertuigen voor de personenauto's, en op een gegeven moment zal waterstof met brandstofcel voor de zwaar lastvoertuigen en ook voor de lange afstandsvoertuigen komen. Dat kun je tegenwoordig helemaal niet meer onderschrijven. Tegenwoordig kun je alles batterij-elektrisch maken. We hebben nu de nieuwe – CATL heeft de nieuwe batterijgeneratie aangekondigd. En als die iets aankondigen, klopt dat meestal. Daar zijn
actieradii mee gemoeid, en daar kun je echt je oren van opzetten, tegen prijzen die je je kunt veroorloven. En daarom weet ik: Van alle zwaar lastleveranciers zetten er nu veel op batterij-elektrisch zwaar lastvervoer. Ja, dat wordt spannend. Nog een keer terug naar het InnoZ en die tijd: Wat zijn interessante projecten op het gebied van e-mobiliteit die u daar gedaan heeft, die u zou willen uitlichten? Ja, we hebben toentertijd eigenlijk al alles gedaan wat men tegenwoordig nog droomt. Dus, we hebben eerst – dat was het eerste. We
hebben gezegd, elektromobiliteit moet in het sharingbedrijf. Want de auto's, die toch altijd wat duurder waren en nog altijd duurder zijn – die hoef je niet te kopen, die kun je delen. Daarvoor heb je natuurlijk passende platforms nodig, passende bedrijfsmodellen. Dat hebben we allemaal geregeld. We hebben dus de elektrificatie van de carsharing-vloot bereikt, door passende aanpassingen ook bij de boeking. We konden voor het eerst ook voertuigen in een wagenpark zeggen uitsluitend: Hoe je de parameters van de loopafstand hebt, kon je de parameters van de batterijcapaciteit zien. Welke auto wordt
geleend, welke laadtoestand is mogelijk. Dus smart charging heette dat toentertijd nog niet, maar dat hadden we al. Dat was het eerste. En het tweede was meteen duidelijk: Het moet bidirectioneel zijn. En daarvoor hadden we vijf Mini E als prototypes in het aanbod. En die hebben we dus bidirectioneel gebruikt. Ik dacht, dat is toverkuns – dat is heel eenvoudig. Dat was niet van huis uit zo. Nee, dat was. Maar BMW moest daarmee instemmen. Ze zeiden, voor die vijf voertuigen mochten we dat doen. Maar
anders is de batterij het duurste onderdeel van de auto, en we laten geen externe energieleverancier of distributienetwerkbeheerder of enige dienstverlener de batterij laden of ontladen. Dat doen we zelf. Maar voor die vijf voertuigen konden we het. En toen hebben we dat wonderbaarlijk gedaan en konden we zo een klein hoekje – de ARD Plusminus, de toentertijd al beginnende talkshow van Jauch van zondagavond uit de Gasometer – van stroom voorzien van onze zonne-installatie en onze kleine windkrachtinstallatie die we daar ook al neergezet hadden, werd
dat zeggen maar beleverd. Dat was zeggen maar ons bewijs. We hebben gezegd: Dit is onze aluminiumhut, omdat ons altijd verweten werd: Ja, zo'n kantoorgedeelte, dat kan iedereen voorzien, dat is niks. Maar als jullie ooit een aluminiumhut hadden, of als jullie echt zware industrie hadden, die hebben stroom nodig. En toen zeiden we: Oké, laten we gaan. Dus als die zondagmiddag zijn lampen aandeed, dan ging de stroomvraag omhoog. En die hebben we wonderbaarlijk kunnen organiseren via ons kleine micro-smart-grid. Dat heeft
alles technisch wonderbaarlijk gewerkt – en bidirectioneel
technisch, zodat het werkt. Dat is heel eenvoudig. U hebt dan passende batterijcapaciteiten nodig, die hadden we ook. We hadden natuurlijk niet alleen de auto's, de vijf mini's – we hadden een grote loodzuuraccu, waarbij ook daar de duivel in het detail zat: Als die aangestuurd moest worden, kwam die te laat in gang, zeggen maar. Die had, geloof ik, drie tiende van een seconde nodig, en had altijd een seconde nodig totdat die steeg. En dan hadden we meteen netopname.
Dan ging dat meteen zak in het net. En dan hebben we vaak deze zelfvoorziening-mogelijkheid niet benut, omdat de batterijen te lang nodig hadden. Dus, je hebt alleen passende opslagcapaciteiten nodig – die zou je tegenwoordig veel beter kunnen maken. Je hebt een passende besturing nodig, en dan is het al klaar. Elektrotechniek is eigenlijk uiteindelijk heel eenvoudig in elkaar gezet. En dat heeft allemaal, zoals gezegd, wonderbaarlijk gewerkt. Hoewel we uiteraard uiteindelijk geen prijzen erop geschreven hebben. Dus dat waren allemaal O&O-projecten. Die moesten
ook niet worden geactiveerd, die konden worden afgeschreven, die konden als kosten worden geboekt. Dat hadden we al gehad. Dus, om dat achteraf rechtssicher en bedrijfseconomisch in te dekken. Daaraan zijn we helemaal niet toegekomen. Want tussentijds had de productiebedrijf dat ontdekt en had gezegd: Dat kunnen jullie toch niet doen. Jullie kunnen toch niet met zelfgebouwde stroom iets voor een liveuitzendin van de ARD organiseren. Toen hebben ze ons uitgeschakeld. En dan, zes weken later, hadden ze bij Vattenfall een gigantisch probleem met een of ander transformatorhuisje. En toen stonden ze met hun
liveuitzendin in het donker. Daar konden ze niet uitzenden. En toen kreeg ik zoveel e-mails en zoveel sms'jes. Kijk je wel, hoe ver je komt met je zelfbouwpraktijken. Die domme gast: opereren aan het open hart, dat werkt ook helemaal niet. En toen dacht ik: Bij ons werkte het. Dat is nu het standaardproject wat niet werkte. Dus dat was fantastisch. En toen hebben we ook iets gedaan wat tegenwoordig helemaal niet meer in de mode is, maar wat gaat komen, namelijk inductief
laden. Dus ik reed destijds ook met mijn kabels en met mijn elektrische auto's. En dat wil ik eigenlijk tot vandaag niet. Kabels zijn gewoon klote. Laten we ons niets wijsmaken. Tot ze daar eindelijk de juiste laadinfrastructuur hebben, tot ze de juiste kaarttoegangen hebben – dat is tot vandaag, moet ik zeggen, niet handig. En veel beter is: Je zet de wagen neer en je stapt uit. En je hoeft je nergens om te bekommeren. Dus er is niets beters dan inductief laden. Ook daar ligt het
probleem in de details. Je moet de auto goed neerzetten. En je hebt natuurlijk niet de laadvermogen zoals bij kabelgebonden laden. Maar het werkte, dat hebben we ook gedaan. En een project dat ontstond is Mobility to Grid. Hoe kwam dat tot stand? Misschien kent u ook een paar. Ja, we hadden altijd onderzoeksgeld nodig. De bedrijven kwamen heel interessant. En het businessmodel bij Indoz was namelijk zo, of het Home Ore: Je kunt – je hebt nodig – je hebt een eigen laadpaal. Je hebt een eigen laadkabel. Je hebt een eigen
windmolen. Je hebt een eigen zonnepaneelinstallatie. Je kunt op dit terrein aantonen, maar je moet huurder worden. Dus de Reinhard Müller profiteerde daar flink van. Van dit idee had hij namelijk zijn huurders erg snel bij elkaar. En we hebben altijd diensten voor hen verricht. We profiteerden daar ook gewoon van. Maar ze kunnen dat niet echt financieren, als ze niet ook openbare financiering door projecten krijgen. En daar hebben we een onderzoeksformat, dat we eerder al eens hebben voorgesteld, namelijk de onderzoekscampus, waar men op één locatie
samen met bedrijven en wetenschap moet werken, dus de problemen die we net hebben besproken, de structuurproblemen daarmee op te lossen, in ieder geval door nauw samen te werken. Daar hebben we ons aangemeld en hebben ook financiering gekregen, die tot vandaag loopt. En dat betekent niets anders dan dat men alle mogelijke elektrische aandrijvingen en voertuigtypes probeert te integreren in een micro-smart-grid, om dan de volatiliteit van stroomopwekking op te vangen en natuurlijk ook zoiets als sectorkoppeling te creëren – zonder warmtecomponent. Die hadden we toen nog niet. Die hebben we vandaag ook niet.
En dat loopt, zoals gezegd, tot vandaag nog. En wat betreft visie op mobiliteit in de toekomst, laten we even fantaseren. Wat zou voor u een toekomstvisie zijn, hoe Duitsland, maar ook algemeen de wereld mooier zou zijn als het gaat om duurzame mobiliteit? Nou, minder is meer, zou ik al zeggen. Dus die hele nerveuze globalisering moeten we ons eens goed opnieuw overdenken. Wat moet echt globaal? En wat hoeft eigenlijk niet globaal? Ik heb geen aardbeien in de winter nodig. Ik heb ook geen
Australisch bier nodig dat per vliegtuig komt. En ik heb geen rozen nodig die uit Afrika komen. Dus veel van de globalisering is gewoon overbodig. Er zijn dingen die kun je niet voorkomen. Die moet je ook niet voorkomen. Dat is het eerste. Het tweede is: We moeten ons goed afvragen wat we eigenlijk met een auto moeten doen. De auto is namelijk niet gewoon een middel tot een doel, maar de auto heeft ons verleid tot dingen waar we eigenlijk geen controle over hadden. De auto heeft ons ruimte en
tijd als het ware opgeheven. Tijd was geen thema meer. Ruimte was geen thema. En zo zijn we uit onze eigenlijke maatschappelijke samenhang met de auto weggereden en hebben de samenleving aan het einde van de dag meer vernietigd dan dat we ze bij elkaar hebben gebracht. Vroeger gingen allemaal in één auto ergens heen. Dat was gezinsondersteunend. Vandaag rijdt iedereen met zijn eigen auto weg en het gezin is uiteengereten. Er is een correlatie tussen scheidingspercentage en aantal ingeschreven voertuigen. Dus minder is meer in dat geval, dus werkelijk
minder rijden. En het derde is: Wat daar nog aan apparatuur werkelijk gebruikt moet worden, zou niet eigendoms-rechtelijk bezeten moeten worden, maar gebruiken in plaats van bezitten – Access, zoals Jeremy Rifkin dat al 20 jaar geleden heeft geschreven. En de apparatuur moet natuurlijk ook batterij-elektrisch zijn, geïntegreerd in een overeenkomstige decentrale energievoorziening, ingebouwd. Maar dat rijdt natuurlijk ook niet meer zelf. Dus dat zijn natuurlijk de robotaxi's. Dat zijn de voertuigen die ik via een app bestel, die komen, die brengen me waar ik heen wil, en die dan ergens
naar een bedrijfsplein of ergens heen rijden en tegelijk weer een snellaadstation beschikbaar hebben. De technische componenten zijn allemaal aanwezig. De ingrediënten zijn allemaal beschikbaar, ook in Duitsland. Alleen ontbreekt de moed om het gewoon te doen en een stad te zoeken die dit ondernemend aanpakt. Ja, en het sleutelwoord moed en stad die het aanpakt. Dat is iets wat mij is opgevallen. Ik heb in Barcelona gewoond. Volgende week ben ik in Parijs en woon in Berlijn. En ik heb de Superblocks in Barcelona. Voor het geval u daar iets mee
weet, dit project, daar hadden ze heel ambitieuze visies die ze nu keihard volgens een plan ook doorvoeren, waar groen komt en straten worden herstructureerd, zoals de Friedrichstraße hier in Berlijn. Alleen was het in de Friedrichstraße maar tijdelijk, en daar is het echt voor altijd. En Parijs wordt ook nu erg sterk autovrij ingericht, wat voor de lokale bevolking natuurlijk veel aangenamer is. En ik denk dat dit naar mijn mening een toekomstvisie is die men
graag zou willen hebben. Wat ontbreekt het in Berlijn bijvoorbeeld, dat men het niet gewoon meer in die richting implementeert? Ja, het wordt nog veel erger. Voordat ik dat beantwoord: het toerismebureau bij ons, Visit Berlin, heeft mij ook gevraagd, we hebben spectaculaire acties nodig. Want wat zijn de toeristische bestemmingen, de attracties? Wat zijn de magneten, waarom gaan mensen ernaartoe? Bijvoorbeeld de Park Lane in New York is inmiddels nummer één. En in Parijs gaan mensen nu naartoe om eindelijk eens te zien, hoe
zien de straten er uit zonder auto's? Ze zijn niet allemaal zonder auto's. Maar het volstaat dat mensen ernaartoe gaan. Kopenhagen heeft sinds dat op de een of andere manier bekend is geworden dat ze zo op de fiets inzetten, een ongelofelijke groei aan toeristische bezoekers. En toeristische bezoekers zijn business. En wij hebben niets meer. Wij hadden 500 meter Friedrichstraße, die weer is ingestampt, met als gevolg dat het nu zo erg is. Het Lafayette heeft dichtgedaan – dat was toen nog open. Maar het ziet
gewoon afschuwelijk eruit. Men moet gewoon heel duidelijk zeggen: hoe meer auto's, hoe slechter wordt alles – niet alleen het milieuaspect, maar ook de vitaliteit van de stad, de levendigheid van de stad. Wij stikken in het ijzer, en dat hebben alle andere steden ter wereld blijkbaar ingezien. Het enige land dat dat niet heeft ingezien, is Duitsland. Maar ik geef de hoop niet op. Wij hebben in Berlijn een verscheidenheid, ook in de politiek. En vooral functieert Berlijn nog steeds ondanks de politiek. Wij hebben nooit
iets aan de politiek te danken, maar omdat de mensen het zijn begonnen. De hogedrukspuit werd in Berlijn uitgevonden, omdat de broers Petersen dat gewoon hebben gedaan. Het unifieke ritkaartje en de BVG – dat was nog gemeentelijk gezag, dat waren nog Reuter, dat waren nog pionierswerkzaamheden. En ook de snelwegaanleg, dat was destijds ook progressief. Jaren vijftig: we bouwen gewoon overal snelwegen heen. Dat waren ook destijds progressieve ideeën. Maar vandaag moeten we inzien dat dit allemaal van gisteren is en dat we voor
morgen precies deze antwoorden nodig hebben. We hebben gewoon andere wijken nodig. De ruimte moet anders worden ingedeeld. We hebben gewoon meer groen nodig. We hebben meer veerkracht in de infrastructuur nodig, simpelweg omdat we de hitte niet kunnen overleven. We hebben nu al weer te droge periodes. We hebben nu al weer te slechte luchtkwaliteit. Als we niet meer groen in deze stad krijgen, als we niet meer infiltratiestructuren erin krijgen, zodat we meer waterbuffers krijgen, als we niet meer verblijfskwaliteit hebben, zodat de mensen weer naar buiten gaan en weer iets doen
in de openbare ruimte – bijvoorbeeld winkelen, naar cafés gaan – zodat we zogezegd een leefbare omgeving hebben, dan gaan we hier onder. En dat bereiken we alleen als we de auto's weer daarheen terugdringen waar ze vandaan komen, namelijk uit de privégarages, uit de privéparkeergelegenheden. Het parkeren van privéauto's op openbare straten kan niet meer. Dus parkeerruimte nu al inperken, drastisch duurder maken. En dan moeten de mensen naar parkeerplekken van privéaard. De openbare ruimte moet voor andere dingen worden vrijgesteld.
Wij renoveren aan elke hoek iets. Daarheen moeten bedrijfsvoertuigen, en die mogen niet op de tweede rij parkeren. Wij mogen niet meer toestaan dat – zoals vorige week in Berlijn – een brandweereinsatz daaraan is mislukt, omdat een verkeerd geparkeerde auto voor de brandweeringang stond. Dat is ongelofelijk waar we ons hier mee bezighouden. Maar ik ben heel optimistisch dat dit nu langzaam komt. Als de CDU al de coalitieverklaring daarmee moet rechtvaardigen, we geven hier een verklaring af voor de auto – dus, als ik iets moet verklaren, dan is
het niet meer vanzelfsprekend. Maar als het niet meer vanzelfsprekend is, dan kan ik erover politiek discussiëren, en nu beginnen we daarmee. En sinds de pandemie hebben we gemerkt, we hebben een te afstandsintensieve levensstijl. We kunnen het ook gemakkelijker. We merken nu in de statistiek: we rijden inderdaad al minder. De auto heeft minder rijprestatie. Ook het aandeel van de wegen is kleiner geworden, en we zouden veel meer op de fiets kunnen gaan. Nog steeds zijn 92% van alle ritten met de auto onder de 10 kilometer. Dus, we
zouden veel meer kunnen. En Berlijn moet dat nu inzien. En ik ben optimistisch dat de senatoren, ook de Regerende Burgemeester dat inzien en dat we nu langzaam – misschien moet de CDU haar eigen stijl vinden, hoe zij het doet. Ze moeten het natuurlijk niet doen zoals de Groenen dat zouden doen. Misschien vindt de CDU haar eigen technische stijl om het te doen, maar we kunnen hier niet omheen. Ja, wat mij verwondert – want ik weet niet of u daar gedachten over hebt gemaakt en daar een antwoord
op zou hebben. Maar om het ook wat groter te maken: het onderwerp dat de Duitsers daadwerkelijk in dit geval heel duidelijk opvallen, omdat ze tegen de trend ingaan of deze trend niet volgen zoals andere grote steden – Berlijn neemt daar ook het onderwerp innovatie. Dat misschien anderen – we hebben de Chinezen aangesproken, maar ook het pragmatisme van de Amerikanen – dat het in andere culturen de innovatiecapaciteit van de cultuur is. Wat is het, wat maakt het uit – kan men iets beter doen? Als men nu eens positief en constructief
in die richting nadenkt, dat men Duitsland daar wat moediger en wat pragmatischer maakt en meer in die richting gaat. Ja, dus 'Zeitenwende' is de juiste term, maar voor het verkeerde beschreven, wat de bijna-bondskanselier gezegd heeft.
Spannend wat Professor Knie ons allemaal heeft verteld. Hij heeft een ongelooflijke achtergrond – een socioloog die door een spin-off ondernemer werd, met de grote Duitse Bahn een deal sloot en daarna zoveel nieuwe initiatieven startte, die misschien de een of ander al gebruikt heeft, zoals Call a Bike enzovoort. Je merkt echt hoe hij brandt voor deze onderwerpen en dat het hem frustreert hoe soms voorzichtig in Duitsland dingen aangepakt worden. En hij heeft duidelijke visies: autonoom rijden, elektrische
mobiliteit – daarin kende hij zich prima uit. Wat de geschiedenis betreft: hij heeft weliswaar veel over diesel onderzocht, maar kende zich prima uit. En het was ook zo spannend om te horen hoe de geschiedenis van e-mobiliteit verliep – dat e-voertuigen zo lang eigenlijk tegelijk hebben bestaan, aan het begin van de 19de eeuw, en vervolgens alleen nog verbrandingsmotoren waren. En toen 1973, hoe het toen weer tot verandering kwam, Californië's rol, zoveel hoogtepunten en dieptepunten, waarom dingen gebeuren of niet, geostrategisch
en de verschillen die we toen ook hadden tussen verschillende landen – en waarom de Duitsers zo zijn en wat men dan zou kunnen doen. Het heeft mij ook echt moed gegeven. Een van de zinnen die hij bracht, vond ik bijzonder spannend: dat men eenvoudig altijd voor moed beloond wordt. En in die zin: Wat kunnen we elke dag doen om moedig te zijn? Ik denk, met het slotwoord – ja, misschien een podcast luisteren, waar men ook aangemoedigd wordt, dat is ook een zaak – en dan echt aan het werk
gaan en de wereld een beetje beter maken. Mocht dit en deze spirit jullie bevallen, abonneer dan graag en deel de aflevering met degenen van wie je denkt dat het hun zou kunnen bevallen. Ja, we spreken elkaar volgende keer.
Welcome to the Smart Charge by RiDERgy Podcast. This is Claudio Geyken, Founder and CEO of RiDERgy. This is your show to learn about all things energy management and smart charging innovation for electric vehicles and fleets.
Heute spreche ich mit Professor Andreas Knie. Er ist einer der Koryphäen in Deutschland, wenn es um das Thema Mobilitätswende, Elektromobilität et cetera angeht. Er brennt für verschiedenste Themen in dem Bereich und bringt so viel Erfahrung mit. Das ist unglaublich. Angefangen hat er im akademischen Umfeld, aber hat auch gegründet, was in Deutschland eben ein bisschen zu sehr fehlt: diese Spin-offs, oder die Akademiker, die dann auch gründen. Und er erklärt auch sehr gut und mit viel Detail, wieso die deutsche Automobilindustrie beispielsweise nicht so performt in letzter Zeit
und wie es dazu kam, und die Chinesen, und insbesondere auch die Geschichte von Kalifornien. Ich fand diese Folge sehr bereichernd. Leider habe ich eine schlechte Nachricht: Wir hatten Probleme mit dem Audiosystem, sodass die Episode zwischendurch dann nicht funktioniert hat, zum Schluss. Das ist ein bisschen schade. Er hat ein paar schöne Sätze noch gesagt, hier noch mal zusammenfassend, die Mut gemacht haben. Insbesondere meint er, dass er sieht, wie der Fortschritt jeden Tag in der Welt, historisch gesehen, passiert ist.
Das heißt, man sollte sich nicht entmutigen lassen von der Vergangenheit, von dem, was passiert, und ein paar Wirrungen und Irrungen, die man so sieht heutzutage. Das war eine sehr positive Nachricht. Und er hat auch die Zuhörerschaft dazu aufgefordert, mutig zu sein, weil Mut sich auszahlt. Die Aussage fand ich spitze. Und er hat auch ein neues Buch. Da würde ich auch jeden darauf hinweisen, und auch eine sehr gute Webseite, wo man wirklich alles sieht – jeden ermutigen, auch da mal reinzuschauen. Und wenn man
ihn googelt, ist es einfach. Außerdem hatte ich auch noch mal ein paar Fragen gestellt, hier und da. Aber das werden wir dann – wir konnten eh nicht in die Tiefe gehen bei bestimmten Themen, wie ich es mir erhofft hätte. Das heißt, wir werden da sicherlich noch ein paar weitere Folgen versuchen aufzunehmen, mit ihm perspektivisch, und dann können wir das noch mal nachholen. Also, Entschuldigung noch mal. Danke fürs Verständnis, auch an Herrn Professor Knie. Und ich hoffe, er genießt diese Folge. Und falls ihr auch Aspekte
hättet, die ihr gerne noch mal vertiefen wollt, bitte meldet euch. Und ja, ich hoffe, bis hier hat die Einführung gefallen. Genießt die Folge. Bis bald. Schön, dass Sie heute dabei sind, Herr Professor Knie. Wie geht's Ihnen heute? Ach, heute ist das Wetter schön, alles wunderbar, Ostern steht vor der Tür – könnte eigentlich nicht besser gehen. Ja, da bin ich bei Ihnen. Diese Frühlingsmomente in Berlin bereiten echt Freude. Ja, bevor wir durchstarten in die Mobilitätsthemen, die wir wirklich viele haben – Ihre Expertise ist ja wirklich
breit – können Sie vielleicht die Zuhörer kurz abholen, aber nehmen Sie sich gerne auch ein bisschen Zeit: Wie stellen Sie sich vor, was ist Ihr Hintergrund, und wie kamen Sie zu der Person, die Sie jetzt sind? Ja. Mein Name ist Andreas Knie. Ich habe Politikwissenschaft in Marburg und Berlin studiert, habe dann promoviert über Motoren – Dieselmotor und Wankelmaschinen. Ich bin daher über die Beschäftigung mit Motoren zum Auto gekommen und habe eigentlich schon Mitte der 90er Jahre
angefangen, mit vielen Kolleginnen und Kollegen darüber nachzudenken: Was ist denn, wenn wir immer mehr Autos haben? Was passiert denn dann mit der Gesellschaft? Und wie können wir dieser riesigen Flotte sozusagen auch wieder Herr werden? Und da wir in den Sozialwissenschaften ja nur das Buch und das gesprochene Wort haben, haben wir sehr schnell gemerkt, dass wir wirkungsmächtiger werden, wenn wir eigene Firmen und eigene Produkte aufbauen. Und dann haben wir Ende der 90er Jahre die erste Firma gegründet:
die Company for Highly Organized City Traffic Elements, kurz Choice, mit der Audi AG, mit der Berliner Stadtauto, die es damals so gab, Carsharing-Unternehmen und der BVG, und haben dann schon eigene Produkte gebaut – Leasingprodukte –, um zu checken: Wie veränderungsfähig sind denn Menschen? In welchem Jahr war das so? Wir sind jetzt im Jahr 1998, muss man sich mal vorstellen. Es gab zwar schon Internet, aber noch keinen Mobilfunk, sozusagen in dem Sinne. Es gab zwar schon die ersten Handys, aber es gab
noch kein mobiles Internet. Das Smartphone ist ja erst 2007 in die Welt gekommen. Wir hatten jedenfalls damals schon Handys, aber noch nicht – ja, das waren damals – BlackBerry kam dann schon langsam, aber war damals auch noch nicht aktiv. Und dann haben wir jedenfalls mit dieser Firma Choice schon viel experimentiert, die Veränderungsfähigkeit der Menschen ausgetestet, und haben aber immer gesagt: Um das komplette Angebot als Alternative zum Auto aufzubauen, brauchen wir natürlich die Deutsche Bahn AG. Und dann haben wir
2001 die Deutsche Bahn AG sozusagen bekommen. Aber die ist nicht in die Firma eingetreten, sondern die hat die gesamte Firma gekauft – als Asset Deal, unter anderem mich. Und seit Ende 2001 bin ich bei der Deutschen Bahn AG Bereichsleiter für intermodale Angebote gewesen. Ich habe Call a Bike auf die Straße gebracht, die flinkster, die einheitliche Caring-Plattform Touch and Travel gemacht, was dann auch wieder abgeschafft worden ist. Was war das? Einchecken, Auschecken. Das hatten wir damals noch ohne iPhone, das hatten wir mit Motorola-Handys, mit
extra Akku. Und da gab es überall die Touchpoints. Die sieht man ab und zu noch. Das sind Teile auf Bahnhöfen, wo man denkt: Was macht das? Und da konnte man damals mit seinem Handy einchecken und dann wieder auschecken. Das haben wir von 2006, 2007, 2008 gemacht. Und dann wurde das industrialisiert und bei der Bahn als richtiges Produkt aufgebaut. Aber bevor es richtig starten konnte, wurde es von der Deutsche Bahn AG auch wieder eingestellt. Und da ich merkte, dass Großkonzerne nicht wirklich richtig funktionieren, haben wir dann noch
wiederum mit dem WZB zusammen. Das soll ich auch noch sagen: Meine ganze Zeit habe ich am Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung verbracht. Ab 1995 war ich auch Professor an der Technischen Universität, bin das auch bis heute noch, und habe dann aber mit der Gründung des Innovationszentrums für Mobilität und gesellschaftlichen Wandel 2006 wieder die Gesellschaft der Deutsche Bahn, Wissenschaftszentrum, Deutsches Zentrum für Luft- und Raumfahrt und später dann auch noch die Siemens AG dazugeholt. Und haben dann schon versucht, neue Mobilitätssysteme grundsätzlich neu aufzuziehen. Und da uns da auch
das Surrounding fehlte und die Elektromobilität schon langsam in Sichtweite kam, haben wir uns dann das Gelände bemächtigt, was damals etwas brach lag. Das ist das heutige ERF. Und haben dem damaligen Eigentümer, dem heutigen Eigentümer, sozusagen noch ein Programm geschrieben, dass er eben nicht auf fossile Energien setzen sollte, nicht auf Atomkraft, sondern auf Erneuerbare, und die gleich als Sektorenkopplung in Wärme und vor allen Dingen in verkehrliche Aktivitäten umzusetzen hat. Und da haben wir – 2006 war gegründet worden als NOZ, entschuldigung – 2006 war gegründet worden als NOZ und 2009 waren wir
schon auf dem Gelände. Ab 2010 wurde dieses Gelände zum ersten Testgebiet oder zum ersten Laboratorium für angewandte integrierte Elektromobilität, kann man so sagen. Und da bin ich dann 2018 ausgeschieden und bin jetzt wieder am Wissenschaftszentrum, um noch mal grundsätzlich nachzudenken: Was haben wir denn Gutes geschaffen? Was war gut? Was war erfolgreich? Und wo müssen wir noch mal umsteuern und uns neu justieren? Und da sind wir jetzt gerade dabei. Ja, spannend. Da gibt es so viele Aspekte, die wir jetzt gerne beleuchten können. Zum einen nur zum
Verständnis: Diese erste Etappe, von der Sie sprachen – ist das dann ein Startup gewesen in dem Sinne, oder wie kann man sich das vorstellen? Diese Gründung, welche Struktur hatte die? Genau. Ja, es gibt ja mittlerweile – also früher konnte man zwischen Startup und Spinoff unterscheiden. Spinoffs waren unmittelbare, direkte Folgen wissenschaftlicher Arbeit. Das war eigentlich ein Spinoff, was wir gemacht haben. Wir hatten bestimmte Ideen im WZB, dann im WZB und auch an der TU waren bestimmte Dinge. Und die haben
wir dann umgesetzt. Deshalb ist es einfach ein Versuch einer doppelten Validierung. Denn was die Peers, die Wissenschaftlerinnen und Wissenschaftler sagen, ist das eine, und einen schönen Artikel überall unterzubringen ist wunderbar. Aber ob dann die Brücke funktioniert, das Auto fährt und die Rechnung nachher am Drucker auch rauskommt oder mittlerweile in der App erscheint, das wissen wir immer noch nicht. Und deshalb müssen wir es tun. Und um das zu tun, haben wir dieses Unternehmen gegründet. Und das war von Anfang an nicht auf große Renditen angelegt. Und dieses
Spinoff, was sie gemacht haben, das ist ja ein großes Thema in Deutschland: Wie schafft man es, die exzellente Forschung – auch angewandte Forschung, die es ja bei Fraunhofer et cetera gibt – in Europa und in Deutschland besser zu machen? Die Amis machen es uns ein bisschen vor. Wie schauen Sie auf das Thema? Sie haben es ja dann erfolgreich gemacht. Was fehlt? Und was könnte man in dem Sinne – was hat Sie denn dazu gebracht, das zu machen? Und vielleicht: Was fehlt den anderen Wissenschaftlern, die sicherlich vieles
auch könnten, denn dass sie es nicht machen? Ja, Ihre Frage unterstellt schon das Richtige, würde ich sagen, dass wir nämlich hier ein Riesenproblem haben, was wir aber irgendwie vor uns herschieben. Also gerade in den Sozialwissenschaften habe ich immer – ich würde sagen jahrzehntelang – in meinen Lehrveranstaltungen gefragt: Könnt ihr euch überlegen, ein Unternehmen zu gründen? Das war, als hätte ich vom Mond oder vom Mars erzählt: Wie, Unternehmen gründen? Und es war schon mal unternehmerischer. Es ist jetzt mittlerweile völlig außen vor. Nein, Unternehmer, Unternehmerin
kann ich mir gar nicht vorstellen. Und das ist in Deutschland Nummer eins das Problem, dass wir auch in der Gründungsförderung immer das Falsche machen. Es ist immer so: Sie müssen schon wissen, wenn Sie Unternehmer sind. Wenn Sie das nicht bei sich spüren, dann können Sie das nicht machen. Also man hat immer den Eindruck, es ist wie so eine Erweckungsbewegung. Also wenn ich jetzt nichts spüre bei mir, ob ich Unternehmer oder Unternehmerin werden will, dann lasse ich es. Dass das völlig anders ist, dass man
das aus pragmatischen Gründen mal macht, mal weniger macht, aber schön bezahlt machen kann – das ist schon mal die falsche Denke. Und dann wird man nur Unternehmer, wenn man sozusagen halbgar ist, wenn man irgendwie nicht koscher ist, wenn man irgendwie moralisch nicht integer ist. Also wir haben überhaupt keinen wirklichen pragmatischen, nüchternen Umgang mit dem Unternehmertum an sich. Das wird entweder mythologisiert oder pervertiert, jedenfalls nicht normalisiert. Das ist das eine. Und dann haben wir natürlich eine Riesenwissenschaft, die aber nur um sich selber kreist. Wissenschaft
ist in Deutschland gerade die exzellente Wissenschaft. Das ist ja schon mal der Hammer überhaupt. Was exzellente Wissenschaft ist, entscheidet ja die Wissenschaft selbst. Und deshalb haben sie kein normatives Verständnis. Das und das ist exzellente Wissenschaft, sondern das ist exzellente Wissenschaft, wo die Peers, also die Kollegen sagen, das ist exzellente Wissenschaft. Und das ist eine Konstruktion, die man natürlich braucht. Aber die braucht man immer um ein Netz herum. Und es gibt nichts Objektives, was das irgendwie beweisen könnte. Und wir haben quasi mit der Gesellschaft einen
Vertrag geschlossen, so heißt das auch, dass wir als deutscher Staat sehr viel Geld in die Wissenschaft geben. Nach wie vor sehr, sehr viel Geld. Und wir erwarten einen Ertrag daraus. Aber das wird nicht festgeschrieben. Also wie hoch muss der Ertrag sein? Wie ausdifferenziert muss er sein? Sondern das ist nur eine Erwartungshaltung, und die wird nicht erfüllt – aus meiner Sicht überhaupt nicht erfüllt. Die Max-Planck-Institute kriegen mal ab und zu Nobelpreisträger. Das führt immer noch dazu, dass die Max-Planck-Institute überhaupt keine Rechenschaft abgeben, was sie
eigentlich mit dem Geld machen. Die geben zwar Verwendungsnachweise, aber wie sie es machen, wie sie sich selber evaluieren, das weiß außerhalb der Max-Planck-Gesellschaft keiner. Die holen sich das Geld einmal im Jahr ab und geben dann irgendwann mal Ergebnisse ab. Und wir als Gesellschaft hoffen, das wird schon wohl gut gehen. Die Großforschungseinrichtungen, der zweite große Teil, die Helmholtz-Gemeinschaft, bauen Apparate – sage ich jetzt mal ganz despektierlich –, die kein Mensch mehr braucht. Da wird Geld ohne Ende in Beschleunigungsringe investiert, die man weltweit besser
nutzen könnte. Sharing wäre da eine gute Option, guckt aber auch keiner genauer rein. Dann kommen die Fraunhofer, und die haben gesagt: Wir haben einen super Trick. Wir haben ja nicht nur eine Grundförderung, sondern wir haben auch eine Förderung, wo wir uns am Markt beweisen müssen. Dass aber viele Programme gerade im BMBF nur für die Fraunhofer gestrickt sind, damit die dieses Prinzip erfüllen können, weiß keiner. Und dass wir schon seit Jahrzehnten nichts mehr haben, was dem MP3-Player ähnlich spektakulär war,
das fällt auch kaum einem auf. Wir haben so ein bisschen – BioNTech und ein paar andere Pharmaprodukte sind ganz gute Beispiele noch –, aber sonst fehlt uns komplett in Deutschland, auch in der IT-Branche, etwas, wo wir sagen können: Ja, das lohnt sich mit der Wissenschaft. Denn, wie gesagt, die akademische Wissenschaft ist ausschließlich auf akademische Reputation orientiert. Und deshalb kriegen wir in Deutschland nichts hin, zumal wir auch die falsche Struktur im Kopf haben. Wir denken ja immer, oben, reputationsbringend, ist die Grundlagenforschung. Und dann fließt
das Wissen wie eine Kaskade runter. Und ganz unten ist die Anwendung. Deshalb sind in der Hackordnung, in der Reputationsstruktur, die Hochschulen – die Fachhochschulen, die früheren – ganz unten. Also auch ein Fachhochschulprofessor ist kein richtiger Professor. Faktisch ist es aber so, dass wir erst mal in die Anwendung gehen müssen und dann erst rauskriegen, welche Grundlagenforschung eigentlich notwendig ist. Wir müssen das umstellen. Wir haben also nicht nur kein vernünftiges Bild vom Unternehmertum. Wir haben eine völlig
falsch organisierte, strukturierte Wissenschaft. Und wir haben überhaupt in Deutschland in der Kultur kein Trial and Error. Wir müssen immer alles in Strukturen haben. Gutes Beispiel sind die autonomen Fahrzeuge. Wir kriegen nichts hin – nichts hin –, weil wir eine allgemeine Verordnung haben. Wenn man autonome Fahrzeuge in den Verkehr hineinbringen will, müssen die ungefähr sieben Mal sicherer sein als die, die wir jetzt schon haben, die ja nicht sicher sind. Und es muss so sicher sein, dass nichts passieren darf. Und wenn nichts passieren darf,
dann passiert eben auch nichts. Und das ist ein Problem. Deshalb haben wir in allen relevanten Teilen der Technologiefelder der Zukunft keine Relevanz mehr in Deutschland, auch in Europa immer weniger. Das fällt nur nicht auf, weil wir noch von der Substanz leben. Und es ist, finde ich, super spannend, diese Blickwinkel. Um es ein bisschen persönlicher zu machen: Wie war es denn bei Ihnen, dass Sie den Schritt gemacht haben? – Ja, ein freundliches Desinteresse, sage ich mal. Also meine wissenschaftliche Karriere hat das auf jeden Fall nicht irgendwie
unterstützt. In der Soziologie kennt man das Unternehmertum nicht – höchstens als Objekt, über das man forscht. Das wurde auch anerkannt. Aber ich hatte mal vorgeschlagen, bei der Deutschen Gesellschaft für Soziologie auf einem Soziologentag „The Making of Cölbike" vorzustellen. Weil das hatte ich an der TU als Seminar – über 200 Leute wollten mal wissen, wie das damals mit den Leihrädern ging. Und dann haben die gesagt: Nee, nee, das machen wir nicht. Also das war überhaupt undenkbar. Und deshalb muss man sich
– das nennt man ja Wissenschaftsunternehmer oder Wissenschaftsentrepreneur. Wir haben die natürlich auch selber befragt. Man macht ja aus der eigenen Not immer eine Tugend, indem man sagt: Okay, wenn ich das nicht wirklich schaffe, dann bin ich wieder Soziologe und forsche über das nicht Funktionierende. Und wenn Sie die in Deutschland fragen, dann sagen die Ihnen alle: Machen Sie es nicht. Also Sie müssen sich in Deutschland immer sofort entscheiden: Bin ich Wissenschaftlerin oder Wissenschaftler, oder bin ich Unternehmer? Das dazwischen, das wird in
Deutschland nicht goutiert. Die Zeit, wo ein Linde, ein Hugo Junkers – ja, man kennt sich schon gar nicht mehr aus. Die ganzen Pioniere, die uns sozusagen groß gemacht haben, weil sie eben Wissenschaftler und Wissenschaftlerinnen waren und dann noch Akteure im Unternehmertum. Die haben wir überhaupt nicht mehr. Wir haben praktisch keine mehr. Ja, das ist ein Kapitel für sich. Und die Geschichte der Entstehung mit der Deutschen Bahn – können Sie da noch mal darauf hinweisen, dass es also auch als Unternehmer selbst immer
eine Partnerschaft mit so großen Organisationen zu erreichen gar nicht mal so trivial ist. Können Sie da noch mal beleuchten, wie das war? Ja, das ist auch – also wir haben damals schon entschieden: Wir brauchen einen Hebel. Was nutzt uns eine schöne Erfindung oder irgendeine, zum Beispiel eine Carsharing-Plattform. Es gab ja schon Carsharing in Deutschland – also wir sind wieder im Jahr 1999/2000. Aber die waren alle für sich isoliert. Jeder hatte sein eigenes System. Dann gab es die wunderbare Erfindung der sogenannten Quernutzung. Wenn sie Mitglied waren
in Kiel und wollten in Berlin fahren, da mussten sie ungefähr 20 Blätter ausfüllen. Dann kriegten sie einen extra Schlüssel, dann mussten sie auch ins Büro gehen, und dann kriegten sie nach viel Aufwand auch ein Auto. Da haben wir schon damals gesagt: Das kann so nicht sein, das müssen wir ein bisschen ändern. Und das kann nicht noch mal eine kleine Firma sein – damals sprachen wir mehr von kleinen Unternehmen, Startup war noch nicht so der große Begriff. Und deshalb war klar: Wir brauchen einen Hebel.
Und dann haben wir lange gebraucht, bis die Bahn tatsächlich in ihrer riesigen Konzernstruktur eine Ecke fand, wo sie sagte: Da könnt ihr das mal machen. Und das war damals der Fuhrpark. Also das war der Teil bei der Bahn, der sich mit Autos auskannte. Die Bahn hat nämlich fast 30.000 Autos im Bestand – nicht nur als Dienstwagen, die die Bahn auch immer hat, sondern auch für Service und alles Mögliche, was die Bahn so braucht. Und die waren schon interessiert an so etwas wie Carsharing. Und dann haben wir
das Programm gestrickt, dass man eben einen integrierten Bahnkonzern hatte, der die letzte und erste Meile mitbedient, so dass die Leute ganz bequem nicht nur mit dem Taxi oder mit dem Bus, sondern auch mit anderen Möglichkeiten zum Bahnhof kommen und vor allen Dingen vom Bahnhof wieder wegkommen. Das war die Idee. Und damals war das die Zeit von Hartmut Mehdorn – auch so ein richtiger Entrepreneur. Das war so ein richtiger starker Typ, muss man sagen. Ich finde es auch viel zu Unrecht, dass er da kritisiert wird
immer wieder. Der hat auch noch mal durchgesetzt. Der hatte vor allen Dingen Entscheidungsbefugnisse, und der hat uns dann auch zum Beispiel das Thema Call Bike gesagt und hat sofort gesehen: Das kann selber kein Gewinnbringer sein. Also man kann nicht von den Einnahmen der Nutzungsentgelte das Call-Bike-System bauen. Aber wir brauchen das als Imageträger, wir brauchen das als Sichtbarkeit. Der malte dann mal in so einer Pause – das haben wir gesehen – überall DB-Flaggen überall. Und er wollte überall das Logo der DB haben. Und
dann hat er gesagt: Das sind ja wunderbare Dinge mit den Rädern. Die sind überall in der Stadt, und überall sehe ich mein Logo. Das war eine gute Idee von ihm. Und dann hat er gesagt: Ihr drückt das einfach rein bei euch. Ihr verdient viel Geld in diesem Fuhrpark mit der Bahn, mit den Autos, und deshalb macht ihr das. Und das war natürlich heikel, aber
am Ende muss man sagen, es hat sich nicht bewährt, weil nach vielen Irritationen und auch vielen Erfolgen – das kann man auch schon konstatieren, die Carsharing-Branche hat da enorm von profitiert, weil es mittlerweile eine einheitliche, digital durchstrukturierte Plattform gab – mussten wir feststellen, dass die Bahn doch so etwas wie einen stiftenden Kern hat. Und das sind Schienenverkehre. Also bei der Bahn können sie nur was werden, wenn sie Schienenverkehre organisieren. Und alles drum herum wird dann, wenn es Krise und Krieg und sonst was gibt, eher an den Rand gedrängt
oder eher abgestellt. Das galt für die Räder, erst recht für das Carsharing. Die Bahn kann nicht Busse, die Bahn kann nichts anderes als Schienenverkehre – das muss man verstehen. Und deshalb ist es eine meiner Erkenntnisse, warum ich jetzt wieder beim WCB bin. Seit ich wieder zurück am WCB bin, ist die Erkenntnis: Die integrierten Mobilitätsdienstleister, wie wir immer gewollt und gewünscht haben – BMW, Daimler sollten das ja auch werden –, die kann es nicht geben. Die funktionieren nicht, weil diese Konzerne sind so am
Ende des Tages einfach gestrickt, muss man sagen, dass sie nur eins können. Ja, das ist ein ganz relevantes Thema. Gerade dieser Tage wurde ja Free Now an Lyft verkauft. Ja, der Clever Shuttle fällt mir auch noch ein als Beispiel, wo die Bahn sich als Aktionär und Gesellschafter beteiligt hatte und das leider auch nicht mehr weiter unterstützt worden ist. Vielleicht kann ich das noch sagen: Auch das InnoZ hatte dann wirklich – ich will nicht sagen Krieg. Also ich persönlich kam dann auch
in eine echte Bredouille, weil letztendlich so Konzerne nicht nur eins können, sondern sie können auch nur Loyalität goutieren, nicht Innovation oder mal out of the box denken. Das wird zwar immer wieder formuliert. Man hat tolle Spaces, man hat tolle Labs gegründet, um irgendwie mal etwas zu machen. Man hat plötzlich Turnschuhe an, der Vorstand hat plötzlich keinen Schlips mehr. Das sieht so locker aus, ist es aber nicht, weil es wird nur Loyalität goutiert. Und das InnoZ war schon frech, hat gesagt: Hey, so was wie ihr
jetzt macht, funktioniert nicht. Und diese Kritik konnte die Bahn nicht aushalten. Hat das InOZ abgestellt. Dasselbe war bei Clever Shuttle. Clever Shuttle hat einen eigenständigen unternehmerischen Ansatz gemacht. Das sollte auch getan werden. Das hat die Bahn offiziell gemacht. Die Bahn hat auch sehr viel Geld investiert. Aber als das dann zum Tragen kam und Clever Shuttle sagte: Nein, wir lassen uns nicht konsolidieren. Wir haben unsere eigenen Compliance-Regeln, hat die Bahn gesagt: Sektor des Selters. Und dann haben die Clever Shuttle-Jungs noch ein bisschen gezögert. Und
schwuppdiwupp hat die Bahn entschieden: Ihr seid abgeschaltet. Und dann waren die tot. Ja. Und wie schauen Sie auf das Thema DB Mindbox, wenn wir schon bei der Bahn sind? Da gibt's ja auch diese Innovationsabteilung. Innovationsabteilung – das ist schon der richtige Begriff. Ich habe – eine meiner Pionierarbeiten bei der Bahn war, dass die da kurz davor waren, den Beauftragten für Innovation etablieren zu wollen. Das merkt man schon vom Wording her, dass das nicht funktioniert. Das Gute an der Mindbox – wir
hatten – ist, dass sie unsere Büroräume übernommen haben. Wir haben damals einen Büroraum gesucht, der so fancy ist, so ähnlich wie Ihrer hier. Aber der war damals noch cooler. Das war an der Jannowitzbrücke. Wir suchten einen Ort, wo man die Intermodalität des Verkehrs wirklich sehen, fühlen, spüren kann. Ist ja noch da. Da ist noch alles da und gibt es auch noch. Der Bahnhof ist nicht schlecht, kann man schon sagen. Aber ich würde nie wieder gerne ein Büro außerhalb eines Bahnhofs haben. Man ist wunderbar angebunden. Man fühlt
sich auch angebunden. Das ist ganz witzig. Wir hatten das Wasser. Ab und zu kam noch ein Wasserflugzeug. Wir hatten alle Verkehrsträger bei uns – Straße natürlich auch, U-Bahn – und da ist die Mindbox noch drin. Und da ist sie auch noch drin. Aber ich will den Kolleginnen und Kollegen nicht zu nahe treten. Die einzelnen Kollegen in der Bahn sind alle engagierte Menschen. Aber die Struktur ist so systematisch angelegt, dass aus dieser Deutschen Bahn AG nichts herauskommen kann, weil es in den großen Rädern der Strukturen,
der Konzernhaftigkeit, des wenig Zutrauens zerrieben wird. Als wir damals zum Beispiel Touch and Travel einführten, habe ich gesagt: Man checkt ein und man checkt dann irgendwann aus. Und dann sagten die mir: Ja, was ist denn? Die Leute wollen doch wissen, wie viel es kostet. Ich sage: Grob kann man denen ja einen Preisrahmen darstellen. Aber vielleicht ist das der Dreh und das Gute bei diesem neuen Angebot, dass man es nicht weiß – denn man weiß es ja auch beim Auto nicht. Wenn
ich nicht wissen will, wie viel mein Auto wirklich kostet, dann weiß ich es auch nicht. Und das war bei der Bahn nicht einzudringen. Und das neue Vertriebssystem NVS hat das dann auch nicht angenommen. Und das NVS gibt es bis heute. Das war schon vor 20 Jahren, das NVS. Also das „Neue" ist schon austariert, es ist strukturiert. Die Bahn steht sich selbst im Wege. Das habe ich dann natürlich auch – so ein gutes Beispiel – bei Call a Bike dann auch übernommen.
Wir haben dann 2007 angefangen. Die erste App – ich glaube, im App Store waren im Verkehrsbereich, glaube ich, nur wir. Die erste App für eine verkehrliche Aktivität war Call a Bike. Und wir hatten, glaube ich, den Eindruck, wir konnten noch mit Steve Jobs persönlich reden. Der lebte damals noch. Das war eine – das war mit Kalifornien eine Interaktion, das kann man sich heute gar nicht mehr vorstellen. Und dann haben die Kollegen das gemacht. Und wir waren stolz darauf, weil wir diesen stationären Anmeldungsprozess – für unsere jungen Zuschauer
und Zuhörer vielleicht noch mal: zu der Zeit hatte man kein Smartphone, so schon, wusste nicht, wie das geht. Man hatte noch stationäre Geräte. Man hatte seinen Laptop, man konnte zu Hause seine Anmeldeformulare machen. Man hatte Zeit. Und dass man das Internet jetzt mitnehmen kann, in den öffentlichen Raum übertragen kann, hat aber zur Folge, dass ich mich noch stärker reduzieren muss. Und wir haben genau diese Komplexität, die die Bahn immer verlangt – ich weiß nicht, 45 Items –, dann auf eine App gebracht, mit
dem Ergebnis, dass wir zwar Preise eingesammelt haben wie nichts anderes. Und dann kriege ich erst viel zu spät mit: Ich sage, eure App finde ich klasse. Und dann merkt man erst: Die hat aber keiner benutzt, oder keiner hat bis zum Schluss diesen Prozess gemacht. Viel zu kompliziert. Wir müssen dann umstellen. Die neuen Medien haben neue Herausforderungen. Die haben neue Chancen, müssen aber anders bespielt werden. Und diesen Prozess hat die Bahn bis heute nicht verstanden, dass eine App ein völlig anderes Ding ist,
die wunderbare Dinge kann, aber andere Dinge nicht braucht. Und das fehlt einem Konzern – diese Flexibilität fehlt diesem Konzern. Und dann zum Thema Elektromobilität: Sie meinten, es ist dann irgendwie entstanden. Wie genau haben Sie denn den Fokus auf die E-Mobilität angelegt? Also, da ich mich ja mit Motoren schon beschäftigt hatte, habe ich natürlich auch schon um die Jahrhundertwende geschaut: Warum ist eigentlich der Verbrennungsmotor gekommen? Und warum sind nicht alle anderen, die viel verbreiteter waren – Elektromobilität, Dampfmobile gab es – warum
denn? Das ist ja eine interessante Frage. Der Elektromotor war, glaube ich, in den entstehenden Jahren – es war viel früher. 1870 gab es praktisch schon nicht viel anderen Stand als wir heute haben. Also die haben alle schon wunderbar funktioniert. Strom war damals das Medium der Zukunft. Alle, die modern waren, hatten Strom. Strom war die Aura des Modernen. Und dann kamen diese Knatterbüchsen. Die waren ja nicht nur laut, sondern die haben auch gestunken. Und es
gab nur Ärger mit den ersten Fahrzeugen. Es gibt ja die legendäre Fahrt von Bertha Benz. Und drum herum wurde dann immer wieder geschrieben. Das waren auch noch Pionierfahrten. Aber sie hatte jetzt nicht große Resonanz. Also, man hat nicht auf diese Autos gewartet. Und die hatten auch gar keinen Zweck. Man wusste gar nicht, was man mit denen macht. Und dann haben sich die Großen, die Schönen und die Reichen dieser Autos bemächtigt und haben vor allem Fernfahrten damit gemacht und Belastungsfahrten. Rallyes würde man heute sagen. Und dafür
braucht man sozusagen Long-Distance-Qualitäten. Und da hatten flüssige Kohlenwasserstoffe natürlich eine höhere Energiedichte. Und es war relativ schnell erkennbar, dass man damit weiterkommt. Das waren Bleibatterien damals. Das war klassisch: 20 Kilometer, also so 30, 40 war dann schon Schluss. Und im Winter, das wissen wir bis heute, war das schon ganz übel. Aber die knatternden Fahrzeuge hatten dann wirklich die ersten Pioniere, die sich dieser Sache bemächtigt haben. Zum Beispiel Leute, die eben diese Fernfahrten gemacht haben. Die
haben dann auch den Ingenieuren gesagt, wie sie das Auto ein bisschen anders haben wollten. Das waren ja Kutschen ohne Pferde. Dann wurden die Schwerpunkte runtergedreht. Dann wurde so langsam eine gewisse Qualität entwickelt, während die elektrischen Antriebe noch in Kutschen eingebaut waren. Die haben also diesen Technologieschub durch die Rallye-Anwendung praktisch gar nicht erleben können. Und so gab es dann eine ungleiche Entwicklung. Die elektrischen Fahrzeuge blieben so ein bisschen hängen, und die Verbrennungsfahrzeuge wurden eigentlich immer besser. Es gibt den berühmten Herrn Jelinek. Das war ein
in Nizza lebender Kosmopolit, würde man sagen, sehr reich. Und der hat dann diese Rennfahrten auch mitorganisiert und hat vor allem den Daimler-Leuten gesagt, wie man ein richtiges Auto baut. Und das erste richtige Fahrzeug war dann 1902 auch ein Verbrennungsmotoren-Fahrzeug, das gleich große Räder hatte und einem heutigen Auto am ähnlichsten aussieht. Und den hat er gleich nach seiner Tochter benannt, nämlich Mercedes. Diesen Schub haben die elektrischen Fahrzeuge nicht gemacht. Und als dann noch der elektrische Starter erfunden worden
ist, ein paar Jahre später, dann war es ja nur noch ein Knopfdruck, um die Karren anzukriegen. Vorher musste man das ja mit einer Kurbel machen. Das war so aufwendig, dass Frauen das praktisch gar nicht konnten, wenn sie nicht gerade einen Mann oder einen starken Kerl dabei hatten, der das gemacht hat. Und als das noch passierte, war der Durchzug nicht mehr zu verhindern. Das war wann? Das war so eigentlich schon vor dem Ersten Weltkrieg. Und dann ging das nach
dem Ersten Weltkrieg richtig los. Es gab dann etwa 40 Jahre lang eine Koexistenz. Von so 1870, kann man sagen, bis 1988, gab es eine Koexistenz. Auch in den Mengen. Das elektrische Auto - die Feuerwehr zum Beispiel fuhr natürlich nur mit elektrischen Fahrzeugen, weil sich keine Feuerwehr vorstellen konnte, mit - die hießen ja damals noch Explosionsmotoren - mit Benzin durch die Gegend zu fahren. Das war undenkbar. Und man sieht das ja heute in Berlin noch, wenn man mal nach Oberschöneweide geht und
in die HTW geht. Und gegenüber ist immer noch das große Gebäude von Peter Behrens, einem der größten Industriedesigner, die wir in Deutschland hatten. Der hat der NAG, der Nationalen Automobil-Gesellschaft, ein entsprechendes Gebäude konstruiert. Und da hat die NAG wie auch Siemens letztendlich bis 1940 elektrische Autos gebaut. Also, die waren nie ganz verschwunden. Der Verbrenner war dann immer dominanter. Die elektrischen Autos fuhren sehr stark in betrieblichen Verwendungen. Es gab die berühmten Milchkarren, die Feuerwehren und viele
kommunale Unternehmen hatten immer noch elektrische Autos. Die waren also nie ganz weg. Aber man hat die Aufmerksamkeit immer auf die Verbrennerfahrzeuge gerichtet. Aber irgendwann mal waren sie weg, oder? Ja, also nach dem Zweiten Weltkrieg gab es eine ziemliche Flaute mit elektrischen Antrieben, auch weltweit - also in den 50er, 60er Jahren. Das war keine gute Zeit für die elektrischen Fahrzeuge. Die kamen dann erst wieder 1973. Auch für unsere jungen Zuhörer: Da gab es den Yom-Kippur-Krieg. Da wurde Israel zum ersten Mal
richtig überfallen und schlug natürlich dementsprechend auch zurück. Und da haben die arabischen Staaten als Gegenmaßnahme den Ölhahn angefangen zu drosseln, mit dem Ergebnis, dass dieses Öl, das praktisch vorher nie etwas gekostet hatte, jetzt plötzlich einen relevanten Preis hatte. Und bei uns im Westen ging das Abendland unter. Also kein Öl mehr - Krise. Wir haben dann sofort panisch reagiert. Es gab die ganz berühmten vier autofreien Sonntage. Das habe ich noch erlebt. Ich konnte dann auf Autobahnen plötzlich trainieren. Man konnte Fußball spielen. Also, das
war natürlich noch ein Event, aber es war klar: Mit dem Verbrenner kommt man schon an Grenzen, und die Abhängigkeiten vom Öl sind extrem hoch. Wir hatten ja praktisch 70 bis 80 Prozent der Importe aus arabischen Ländern. Die OPEC wurde plötzlich als Akteur relevant. Und dann ging es los mit der Suche nach Alternativen. Und da war der Elektromotor plötzlich wieder eine Option. Ab dann fingen auch die Unternehmen an, Forschungsabteilungen überhaupt erst wieder zu gründen und nachzugucken. Der Stirling-Motor war interessant. Wasserstoff war natürlich auch
wieder. Er kam aufs Tableau. Aber man hat angefangen, mit elektrischen Fahrzeugen wieder zu operieren. Aber es war erst dann. Also ich bin da bei weitem nicht so tief drin in der Geschichte der Elektromobilität, merke ich. Aber es ist extrem spannend. Falls Sie dann auch darin Referenzen haben zu Büchern oder wie man sich da weiter belesen kann, wäre auch spannend. Allerdings, ja, in den 90ern kam es. Es gab ja die berühmte Geschichte "Who Killed the Electric Car" von GM, der EV1, glaube ich, vor Tesla
noch. Das war ja, glaube ich, eines der größten Bestrebungen, die Elektromobilität wieder ins Leben zu bringen. Aber vielleicht, weiß ich nicht, quasi zwischen den 70er Jahren dann bis, glaube ich, Ende der 90er war das damals. Ja, es ging schon früher los. '73, wie gesagt, kam es plötzlich wieder. Wurde es durch die Ölkrise – oder eigentlich eine Ölpreiskrise – kam es zum ersten Mal wieder ins Bewusstsein. Man hatte auch erste Prototypen wieder. Man sah wieder Autos mit elektrischen Batterien. Das war aber jetzt auch mehr so halb gedacht als
gemacht. Und dann kommen wir so langsam in die 80er Jahre. Und in den 80er Jahren fing das Thema Umwelt an, vor allen Dingen von Kalifornien aus kommend, eine Rolle zu spielen, weil in Kalifornien – oder sagen wir mal, Los Angeles – liegt halt in einem Becken. Und je nachdem, wie die Wetterlage ist, sind die entsprechenden Emissionswerte so schlimm. Vom Klimawandel hat damals noch keiner gesprochen, sondern es waren einfach die relevanten Smog-Sachen. Man hat als erstes erkannt, dass das Blei im Benzin schwierig war. Das braucht man
ja, um die Hochwertigkeit sozusagen des Benzins zu schaffen. Also Blei war sozusagen ein Booster für die Leistungsfähigkeit von Benzin. Das musste entfernt werden. Das ist in Kalifornien schon in den 60er Jahren passiert. Und in den 70ern fing – während wir die Ölpreiskrise hatten – es schon in Kalifornien an: zu viele Autos, die immer mehr werdenden Autos machen ein Problem. Und spätestens in den 80ern war das auf der Agenda. Und dann hat Kalifornien zum ersten Mal die Zero Emission Vehicle Verordnung für 1998 angekündigt. Und die hat eine
Vorgeschichte, denn das CARB, das California Air Resources Board – die sind ja auch keine. Das sind keine dummen Leute, sondern die gucken sich an: Was könnte denn die Industrie überhaupt machen? Also die fangen jetzt nicht einfach an zu sagen, wir schreiben euch jetzt die und die Emissionswerte vor. Die gucken. Und da gab es einen berühmten Roger Smith, bekannt aus der Dokumentation "Roger and Me". Roger Smith war Chef von GM. Und die GM-Ingenieure hatten auch schon gesagt, naja, elektrische Autos, das könnten wir auch. Und
haben dann. Und dann hat Roger Smith irgendwann den Kaliforniern erzählt: Pass mal auf, Leute, elektrische Autos, das haben wir voll im Griff. Das können wir auch. Und dann haben die gesagt: Okay, okay, dann schreiben wir euch das jetzt vor. Und dann hat er gesagt: Ihr wollt uns doch nicht zwingen, dieses Auto zu bauen. Doch, haben die gesagt. Und daraus ist dann der EV1 – das hieß erst "Compact" – entstanden. Der EV1 ist immerhin in, ich würde sagen, 470 Stückzahlen gebaut worden. Eine
Flunder, eine platte Flunder. Der kam dann in den 90er Jahren tatsächlich zum Einsatz. Und das war der Hit, vor allen Dingen für die Celebrities. Also jeder, der in Kalifornien auf sich was hielt, der hatte so einen EV1. Es gab auch zum ersten Mal so eine Art Blogbeitrag, der wurde auch im Internet zum ersten Mal so richtig avisiert. Und den hat GM gezwungenermaßen gebaut, um zu zeigen: Wir könnten diese Emissionswerte auch einhalten. Das ging aber aus verschiedenen Gründen nicht. Es gab die
Infrastruktur nicht. Die Autos hatten auch noch nicht die Qualitäten. Die Reichweite war das Problem. Und dann wurde der Druck von den anderen Herstellern immer größer, so dass Kalifornien diese Zero Emission Vehicles Verordnung immer mehr abgeschwächt hat – bis heute nie in der Qualität, wie sie 1998 eigentlich mal sein sollte, eingesetzt hat. Denn mit dieser '98-Regel hätten ab 2008 praktisch kaum noch Emissionen in Autos stattfinden können. Das war also sehr radikal gedacht. So, aber seitdem war das Auto da, also als Idee da. Und
dann war aber auch lange so ein bisschen Ruhe im Karton. Und ich bin auch sehr
überrascht gewesen, als wir das Innocet 2006 gegründet haben – so 2007 fing plötzlich das Thema Elektroauto, Elektromobilität an zu explodieren. Gegen Tesla? Tesla war noch gar nicht. Tesla war noch gar kein relevanter Akteur, sondern die Elektromobilität wurde vor allen Dingen gespeist durch die Energiewirtschaft, die plötzlich auch großes Interesse hatte. Die Energieversorger wollten was machen. Die Autohersteller hatten auch mit Kalifornien im Kopf schon die Ideen. Und relativ bald – spätestens seit 2008, 2009 – war China ein wichtiger Akteur. Denn der dortige Chef vom
Senat, würde man in Berlin sagen – Professor Wan Gang, ein guter Freund von mir. Der war ja ein Audi-Ingenieur und hatte bei Audi gearbeitet, hat in Clausthal-Zellerfeld promoviert, war glücklich, hatte sein Häuschen in Ingolstadt, saß da und hatte auch schon gedacht, hier werde ich alt – bis ein chinesischer, ich glaube sogar der Ministerpräsident, mal bei Audi vorbeigekommen ist. Und dann hat er ihm gesagt: Pass mal auf, wenn ich in China was zu sagen hätte, ich würde das so und so machen. Ich würde gar nicht mehr
auf Verbrenner setzen. Ich würde sozusagen einen Leapfrog machen. Ich würde gleich in die Elektromobilität gehen. Und dann haben die gesagt: Ja, wenn du so hier tönst und spuckst und erzählst, dann kommst du da. Und dann haben die eben ein wunderbares Programm gemacht. Und dann ist er zur Tongji-Universität nach Shanghai – erst als Professor, dann als Chef der Tongji – und hat damals das berühmte Elektromobilitätsförderprogramm aufgesetzt. Und ich sehe irgendwie noch – ich sehe mich da. Ich hatte ihn besucht. Wir hatten einen engen
Kontakt. Und dann plötzlich gucke ich Tagesschau. Dann wurde er sogar zum Minister. Es war ein nicht unwichtiger Minister, nämlich für Wissenschaft und Forschung, aber er konnte dann mit seiner Reputation dieses Programm richtig etablieren und hat dann 2008, 2009 praktisch die Welt eingeladen, nach China, nach Shanghai vor allen Dingen, um das Programm vorzustellen und zu sagen: „Passt auf, Leute, wir setzen auch aus Umweltgründen, aber vor allen Dingen aus industriepolitischen Gründen auf die Elektromobilität, bieten euch aber Partnerschaften an. Ihr müsst aber wissen, wir werden alles tun, damit
die Verbrenner Restriktionen bekommen, noch mehr als wir jetzt schon haben. Und wir werden die Elektromobilität fördern. Wir werden auch Zulassungsbeschränkungen aufheben. Alles." Und da hat die deutsche Autoindustrie nur gelacht. Hat gesagt: „Leute, das ist der völlig falsche Weg. Baut Dieselmotoren. Die sind viel effizienter. Ihr schafft das gar nicht mit diesen Elektroautos." Und das war der größte Irrtum der deutschen Autoindustrie. Die Amis und die Japaner haben sich sehr zurückgehalten. Japan und China ist ja sowieso so ein schwieriges Verhältnis. Und die Amis, pragmatisch wie sie sind:
„Gut, dann machen wir irgendwas anderes. Wir kleben nicht an dieser Technologie." Die Deutschen klebten an dieser Technologie und – ja, das Ergebnis sehen wir jetzt. Zwischenzeitlich hatte VW 70 % Marktanteile, sind jetzt auf, was weiß ich, unter 4 %. Sie hatten zwischenzeitlich fast 60 % des gesamten Ausstoßes der deutschen Autoindustrie – der gesamten Autoindustrie – ging nach China, geht jetzt runter. Und die deutsche Autoindustrie schrumpft jetzt und wird möglicherweise in der Form nicht mehr überleben. Und das war 2008. Und dann erst kam langsam Tesla, plötzlich so ganz
langsam durchwabernd. Und das muss man schon sagen, bei aller – ein paar Irritationen über Elon Musk – jetzt haben die doch gezeigt, dass es in der Tat so ist, wie alle schon befürchtet haben. Man kann sozusagen von Scratch on ganz schnell – man hätte sagen können, aus dem Internet – ein Auto bauen in einer hohen Qualität, was zum Teil sogar dem Qualitätsniveau der Deutschen noch überlegen ist, und schafft es innerhalb von 10, 15 Jahren, sich an die Spitze der Elektromobilität zu setzen. Das hat natürlich bis heute noch einen tiefen,
tiefen, ein tiefes Leid in der deutschen Seele, sozusagen der Ingenieursseele, verursacht. Ja, sehr spannend. Und wie schauen Sie auf das Thema BMW i3? Weil das ist meines Erachtens eines der ersten Fahrzeuge auch der Deutschen, die eigentlich gut gedacht waren. Da hat man das Gefühl gehabt, die Deutschen nehmen das ernst, das Thema E-Mobilität und Nachhaltigkeit. Und dann wurde es ja lange Zeit doch vernachlässigt als Projekt. Das war ja 2011, oder, wenn ich mich nicht täusche? Ja, ja. Der i3 wurde relativ
bald auch aufgesetzt. Das war das Projekt X sozusagen innerhalb. Die hatten also – BMW hat das eigentlich damals, wir vermuten, von der Eigentümerfamilie Quandt mit inspiriert – zu sagen: „Okay, wir müssen jenseits der klassischen Verbrennerlinien." Die Bayerischen Motorenwerke heißen nicht nur Bayerische Motorenwerke, sondern sind auch Bayerische Verbrennungsmotorenwerke. Also, die haben die besten Diesels, die besten – also BMW hat sich damals sehr viel eingebildet auf die besten Verbrennermotoren. Und deshalb musste man diesen elektrischen Antrieb ein bisschen abseitig machen. Man hat mit Uli Kranz einen Projektleiter organisiert, einen ganz
ganz cleveren Ingenieur. Und man hatte schon auch im Vorstand eine Schutzpatronin. Und dann haben die wirklich ein völlig neues Auto konstruiert, vor allen Dingen eines, das nicht nur den Motor anders hatte, sondern auch die Materialien, die verbaut wurden. Das war eben das erste – oder nicht das erste, aber ein auf Leichtbau organisiertes Auto, weil man gesehen hat: Man kann nicht nur den Motor wechseln, man muss auch halbwegs die Automobilkonstruktionsphilosophie verlassen, die man kannte. Und da hat man Pionierarbeit geleistet, hat aber den Mut verloren, weil
natürlich war dieses Auto sehr teuer. Da fing schon das erste – also, man hat viele große Autos, die Siebener-Reihen und andere Produkte bei BMW, die bis heute hochgradig quersubventioniert werden, weil man es will. Das gehört eben dazu. Die 12-Zylinder bei den Siebnern, die es jetzt glücklicherweise nicht mehr gibt – hochgradig defizitäre Maschinen, riesige Entwicklungskapazität verschlungen, nichts richtig verkauft. Aber beim i3 hat man das nicht mehr machen wollen oder nicht mehr machen können. Man hätte das Auto für 35.000 € auf den Markt
bringen können, und das wäre gegangen wie geschnitten Brot. Wenn man noch ein Lenkrad dazu haben wollte, war das ja über fast 50.000. Das konnten sich nur wenige Pioniere leisten. Das war die Mutlosigkeit Nummer eins. Und die Mutlosigkeit Nummer zwei war, dass man nicht lange genug an dieser Technologieoffensive festgehalten hat, weil man gemerkt hat, die anderen ziehen nicht nach. Das Credo im deutschen Automobilbau ist: Erfolg ist dann, wenn nachgebaut wird. Also, wenn die anderen das kopieren, dann ist es gut, weil dann kann ich mehr
Stückzahlen machen, habe ich Skalierungseffekte. Und das war beim i3 nicht der Fall. Man ist nicht auf diese Offensive eingegangen. Die anderen haben weiter so gebaut wie bisher. „Ja, kommen wir schon alleine durch." Und deshalb hat dann BMW schon nach drei, vier Jahren praktisch den i3 aufgegeben und hat dann gesagt: „Okay, das bisschen Elektromobilität bauen wir in der Linie, hier links Verbrenner, rechts elektrisch, und das kriegen wir schon hin." Und das haben sie jetzt gemacht und sind mittlerweile auch in dieser Strategie nicht unerfolgreich, muss man
auch sagen. Sie verkaufen eben immer im Moment noch am meisten elektrische Autos. Aber es war kein mutiger Weg. Und den mutigen Weg, den man mal hatte, hat man nicht weiter verfolgt. Und die Zukunft, nehme ich an: Selbst wenn sie Diesel als Kernexpertise hatten, liegt ihre Forschung schon beim Elektromotor in ihren Augen, oder? Also, wir haben da. Es gab ja dann die Nationale Plattform Elektromobilität, wo ich auch die Freude hatte, mitzutun. Das war wirklich ein wirklicher Aufbruch in eine neue Form, wo
Wissenschaft, Wirtschaft, Elektromobilität, also Elektrotechnik und Automobiltechnik zusammenkam. Und das haben wir da auf jeden Fall gemacht. Immer überlegt: Ist es denn die wirklich bessere Alternative? Und ich weiß nicht, wie viele Studien Daimler, BMW, Volkswagen, das Umweltbundesamt, die ganzen Öko-Institute – alles, was kreucht und fleucht – gemacht hat. Und sie sind unisono. Weltweit kann man die mit dem ganz einfachen Satz zusammenfassen: Wenn schon Auto, dann batterieelektrisches Auto. Das ist immer noch ein bisschen besser und es wird auch immer besser. Und was mich beeindruckt, ist, dass wir haben
ja damals die Zahlen, vor allen Dingen in der Entwicklung der Batterie – Qualität, Preis-Leistungs-Verhältnis –, die sind tatsächlich so eingetroffen wie prognostiziert. Und wir haben ja damals gesagt, die batterieelektrischen Fahrzeuge für die Pkw, und irgendwann wird Wasserstoff mit Brennstoffzelle für die Schwerlastfahrzeuge und auch für die Langstreckenfahrzeuge kommen. Das könnte man heute gar nicht mehr unterschreiben. Heute kann man alles batterieelektrisch machen. Wir haben ja die neuen – CATL hat ja die neue Batteriegeneration angekündigt. Und wenn die was ankündigen, stimmt das meistens. Da sind
Reichweiten unterwegs, da schlackert man aber wirklich mit den Ohren, zu Preisen, die man sich leisten kann. Und deshalb weiß ich: Von den ganzen Schwerlastanbietern setzen jetzt viele auf batterieelektrische Schwerlastverkehre. Ja, das wird spannend. Noch mal einen Blick zurück auf InnoZ und die Zeit: Was sind so spannende Projekte in Sachen E-Mobilität, die Sie da gemacht haben, die Sie highlighten würden? Ja, wir haben damals eigentlich schon alles gemacht, wovon man heute noch träumt. Also, wir haben erstmal – das war das erste. Wir
haben gesagt, Elektromobilität muss in das Sharing-Geschäft hinein. Denn man muss die Autos, die sowieso immer etwas teurer waren und immer noch teurer sind – die muss man nicht kaufen, die kann man sharen. Da braucht man natürlich entsprechende Plattformen, entsprechende Geschäftsmodelle. Das haben wir alles geschafft. Wir haben also die Elektrifizierung der Carsharing-Flotte geschafft, durch entsprechende Anpassungen auch bei der Buchung. Wir konnten zum ersten Mal auch Flottenfahrzeuge sozusagen extra ausweisen: Wie man die Parameter Laufleistung hat, konnte man die Parameter Batterieleistungen sehen. Welches Auto wird
geliehen, welcher Ladezustand ist möglich. Also Smart Charging hieß das damals noch nicht, aber das hatten wir schon. Das war das erste. Und das zweite war sofort klar: Es muss bidirektional sein. Und da hatten wir fünf Mini E als Prototypen im Angebot. Und die haben wir also bidirektional betrieben. Ich dachte, das ist ein Hexenwerk – das ist ganz einfach. Das war nicht quasi von Haus aus so. Nein, das war. Aber BMW musste dem zustimmen. Die haben gesagt, für die fünf Fahrzeuge dürften wir das machen. Aber
ansonsten ist die Batterie das teuerste Ding an dem Auto, und wir lassen keinen externen EVU oder Verteilnetzbetreiber oder irgendeinen Dienstleister die Batterie be- oder entladen. Das machen wir schon selber. Aber für die fünf Fahrzeuge konnten wir es. Und dann haben wir das wunderbar gemacht und konnten so ein kleines Eckchen – den ARD Plusminus, die damals schon anfangende Talkshow von Jauch des Sonntagsabends aus dem Gasometer – mit Strom unserer PV-Anlage und unserer kleinen Windkraftanlage, die wir auch schon da hingestellt hatten, wurde
der dann sozusagen bestückt. Das war sozusagen unser Beweis. Wir haben eben gesagt: Das ist unsere Aluhütte, weil uns wurde immer vorgeworfen: Ja, so einen Bürotrakt, den kann ja jeder versorgen, das ist ja nichts. Aber wenn ihr mal eine Aluhütte hättet, oder wenn ihr mal richtige Schwerindustrie hättet, die brauchen Strom. Und dann haben wir gesagt: Okay, machen wir. Also, wenn der Sonntagsnachmittags seine Leuchten anmachte, dann ging der Strombedarf aber hoch. Und den haben wir wunderbar durch unser kleines Mikro-Smart-Grid organisieren können. Das hat
alles technisch wunderbar funktioniert – und bidirektional
technisch, damit es funktioniert. Das ist ganz einfach. Sie brauchen dann entsprechende Batteriekapazitäten, die haben wir dann auch gehabt. Wir hatten natürlich nicht nur die Autos, die fünf Minis – wir hatten eine große Blei-Batterie, wobei da auch der Teufel im Detail steckte: Wenn die angesteuert werden musste, kam sie zu spät in die Gänge, sozusagen. Die brauchte, glaube ich, drei Zehntelsekunden, und die brauchte immer eine Sekunde, bis die anstieg. Und dann hatten wir immer gleich Netzbezug.
Dann ging das sofort Zack ins Netz. Und dann haben wir oft diese Autarkie-Möglichkeit nicht ausgenutzt, weil die Batterien zu lange brauchten. Also, man braucht nur entsprechende Speicher – die könnte man heute viel besser machen. Man braucht eine entsprechende Steuerung, und dann ist das schon alles. Elektrotechnik ist ja dann doch letztendlich ganz einfach gestrickt. Und das hat alles, wie gesagt, wunderbar funktioniert. Wobei wir natürlich letztendlich keine Preise dran geschrieben haben. Also das waren alles F&E-Projekte. Die mussten
auch nicht aktiviert werden, die konnten abgeschrieben, die konnten als Aufwand verbucht werden. Da hatten wir schon. Also, um das nachher sozusagen rechtssicher und betriebswirtschaftlich abzusichern. Da sind wir gar nicht dahingekommen. Weil zwischendurch hatte ja auch die Produktionsfirma das entdeckt und hatte gesagt: Ihr könnt das doch nicht machen. Ihr könnt doch nicht mit Bastelstrom da irgendwas für eine Livesendung der ARD organisieren. Dann haben die uns abgeschaltet. Und dann, sechs Wochen später, hatten die bei Vattenfall ein Riesenproblem mit irgendeinem Trafo. Und dann standen die mit ihrer
Livesendung im Dunkeln. Da konnten die nicht senden. Und da habe ich so viele E-Mails gekriegt und so viele SMS. Siehst du mal, wie weit du kommst mit deiner Bastlernummer. Dieser Blöde: am offenen Herzen operieren, funktioniert auch alles gar nicht. Und da hab ich gedacht: Bei uns hat es funktioniert. Das ist jetzt das Standardprojekt, was nicht funktioniert hat. Also das war wunderbar. Und dann haben wir auch etwas gemacht, was heute gar nicht mehr so in Mode ist, was aber kommen wird, nämlich induktives
Laden. Also ich bin damals ja auch mit meinen Kabeln und mit meinen elektrischen Autos gefahren. Und das will ich bis heute eigentlich nicht. Also Kabel ist einfach scheiße. Da machen wir uns nichts vor. Bis sie da mal die richtige Ladeinfrastruktur haben, bis sie mal die entsprechenden Kartenzugänge haben – das ist bis heute, muss man sagen, nicht kommod. Und viel besser ist: Man stellt den Wagen hin und geht raus. Und man muss sich um nichts kümmern. Also es gibt nichts Besseres als induktives Laden. Auch da liegt das
Problem im Detail. Sie müssen das Auto richtig hinstellen. Und Sie haben natürlich nicht die Ladeleistungen wie beim kabelgebundenen Laden. Aber es ging, haben wir auch gemacht. Und ein Projekt, was entstanden ist, ist Mobility to Grid. Wie kam das zustande? Vielleicht kennen Sie ja auch ein paar. Ja, wir brauchten ja immer Forschungsgeld. Die Unternehmen kamen ganz interessant. Und das Geschäftsmodell beim Indoz war ja so, oder das Home Ore: Du kannst – du brauchst – du hast eine eigene Ladesäule. Du hast ein eigenes Ladekabel. Du hast ein eigenes
Windrad. Du hast eine eigene PV-Anlage. Du kannst auf diesem Gelände zeigen, musst aber Mieter werden. Also der Reinhard Müller hat da kräftig von profitiert. Von dieser Idee hat er nämlich seine Mieter recht schnell zusammen. Und wir haben mit denen immer Dienstleistungen gemacht. Wir haben auch einfach davon profitiert. Aber sie können das nicht wirklich finanzieren, wenn sie nicht doch auch eine öffentlich-rechtliche Finanzierung durch Projekte kriegen. Und da haben wir ein Forschungsformat, das wir früher schon mal vorgeschlagen haben, nämlich den Forschungscampus, wo man an einem Ort
mit Wirtschaft und Wissenschaft zusammenarbeiten soll, also die Probleme, die wir eben diskutiert haben, die Strukturprobleme dadurch löst, indem man zumindestens räumlich eng zusammenarbeitet. Da haben wir uns beworben und haben auch eine Förderung gekriegt, die bis heute läuft. Und die heißt nichts anderes, als dass man alle möglichen elektrischen Antriebe und Fahrzeugtypen versucht, in ein Mikro-Smart-Grid hinein zu integrieren, um dann eben die Volatilität der Stromerzeugung auszugleichen und natürlich so etwas wie Sektorenkopplung zu schaffen – ohne Wärmekomponente. Die hatten wir damals noch nicht. Die haben wir heute auch nicht.
Und das läuft, wie gesagt, bis heute noch. Und in Sachen Vision für eine Mobilität der Zukunft, lassen Sie uns mal spinnen. Was wäre für Sie eine Zukunftsvision, wie Deutschland, aber auch allgemein die Welt eine schönere wäre in Sachen nachhaltige Mobilität? Na, weniger ist mehr, würde ich schon mal sagen. Also diese ganze nervöse Globalisierung sollten wir uns mal wieder sehr genau überlegen. Was muss wirklich globalisiert werden? Und was muss eher nicht globalisiert werden? Ich brauche keine Erdbeeren im Winter. Ich brauche auch kein
australisches Bier, das mit dem Flieger kommt. Und ich brauche keine Rosen, die aus Afrika kommen. Also vieles an der Globalisierung ist einfach überflüssig. Es gibt Dinge, die kann man nicht verhindern. Die sollte man auch nicht verhindern. Das ist das Erste. Das Zweite ist: Wir sollten uns ganz genau überlegen, was wir mit einem Automobil überhaupt machen müssen. Das Automobil ist nämlich nicht einfach ein Mittel zum Zweck, sondern das Automobil hat uns verführt zu Dingen, die wir gar nicht unter Kontrolle hatten. Das Auto hat uns Raum und
Zeit sozusagen außer Kraft gesetzt. Die Zeit war kein Thema mehr. Der Raum war kein Thema. Und so sind wir aus unserem eigentlichen gesellschaftlichen Zusammenhalt mit dem Auto rausgefahren und haben die Gesellschaft am Ende des Tages mehr zerstört, als dass wir sie zusammengebracht haben. Früher sind alle in einem Auto irgendwo hingefahren. Das war familienunterstützend. Heute fährt jeder mit seinem Auto weg und die Familie ist auseinandergerissen. Es gibt eine Korrelation zwischen Trennungsrate und Zahl der zugelassenen Fahrzeuge. Also weniger ist mehr in dem Fall, also tatsächlich
weniger Fahren. Und das Dritte ist: Was da noch an Gerät wirklich genutzt werden muss, sollte nicht eigentumsrechtlich besessen werden, sondern nutzen statt besitzen – Access, wie Jeremy Rifkin das ja schon vor 20 Jahren geschrieben hat. Und auch das Gerät muss natürlich batterieelektrisch, integriert in eine entsprechende dezentrale Energieversorgungsstruktur, eingebaut werden. Aber auch das fährt natürlich nicht mehr selber. Also das sind natürlich die Robotaxis. Das sind die Fahrzeuge, die ich per App hole, die kommen, die mich dahin bringen, wo ich hin will, und die dann irgendwo auf
einen Betriebshof oder irgendwo fahren und dann gleichzeitig wieder einen Schnellstreicher zur Verfügung stehen. Die technischen Komponenten sind alle da. Die Ingredienzien sind alle verfügbar, auch in Deutschland. Nur fehlt der Mut, das einfach mal zu machen und eine Stadt zu suchen, die das mutig angeht. Ja, und Stichwort Mut und Stadt, die das angeht. Das ist eine Sache, die mir aufgefallen ist. Ich habe in Barcelona gelebt. Nächste Woche bin ich in Paris und lebe in Berlin. Und ich habe die Superblocks in Barcelona. Falls Ihnen das was
sagt, dieses Projekt, da hatten sie ganz ambitionierte Visionen, die sie jetzt knallhart nach einem Plan auch durchgehen, wo es Begrünung gibt und Straßen umstrukturiert werden, wie die Friedrichstraße hier in Berlin. Nur halt in der Friedrichstraße war es halt nur temporär, und da ist es wirklich für immer. Und Paris wird auch gerade sehr stark autofreier gestaltet, was ja für die Bevölkerung vor Ort natürlich viel angenehmer ist. Und ich denke, das ist meines Erachtens eine Zukunftsvision, die man
gerne hätte. Was fehlt es denn in Berlin zum Beispiel, dass man es nicht einfach mal mehr umsetzt in die Richtung? Ja, es kommt ja noch viel schlimmer. Bevor ich das beantworte: die Tourismusbehörde bei uns, Visit Berlin, hat mich auch gefragt, wir brauchen spektakuläre Aktionen. Denn was sind die touristischen Ziele, die Destinationen? Was sind die Magneten, warum die Leute hinfahren? Zum Beispiel die Park Lane in New York ist mittlerweile Nummer eins. Und in Paris fahren die Leute jetzt hin, um endlich mal zu sehen, wie
sind denn die Straßen ohne Autos? Sie sind ja nicht alle ohne Autos. Aber es reicht, dass die Leute dahinfahren. Kopenhagen hat, seitdem das irgendwie ruchbar ist, dass sie so auf Fahrrad setzen, einen unglaublichen Boom an touristischen Besuchern. Und touristische Besucher sind Geschäft. Und wir haben nichts mehr. Wir hatten 500 m Friedrichstraße, die wieder eingestampft worden ist, mit dem Ergebnis, dass es jetzt so schlimm ist. Das Lafayette hat zugemacht – das war damals ja noch auf. Aber es sieht
einfach scheußlich aus. Man muss einfach mal ganz klar sagen: je mehr Autos, desto schlimmer wird alles – nicht nur das Umweltthema, sondern die Belebtheit der Stadt, die Vitalität der Stadt. Wir ersticken im Blech, und das haben alle anderen Städte der Welt offensichtlich erkannt. Die einzige Stadt oder das einzige Land, das das nicht erkannt hat, ist Deutschland. Ich gebe aber die Hoffnung nicht auf. Wir haben in Berlin eine Vielfalt, auch in der Politik. Und vor allen Dingen funktioniert Berlin ja immer noch trotz Politik. Wir haben ja noch nie
irgendwas der Politik zu verdanken, sondern weil die Leute es angefangen haben. Das Kärchern wurde in Berlin erfunden, weil das die Brüder Petersen waren, die das einfach gemacht haben. Der Einheitsfahrschein und die BVG – das waren noch kommunale Herrschaft, das waren noch Reuter, das waren noch Pionierarbeiten. Und auch der Autobahnbau, das war damals ja auch fortschrittlich. Fünfziger Jahre: wir bauen einfach überall Autobahnen hin. Das waren auch damals fortschrittliche Ideen. Heute müssen wir aber sehen, dass das alles von gestern ist und dass wir für
morgen eben genau diese Antworten brauchen. Wir brauchen einfach andere Quartiere. Der Raum muss anders aufgeteilt werden. Wir brauchen einfach mehr Grün. Wir brauchen mehr Resilienz in der Infrastruktur, schlichtweg weil wir nicht in der Hitze überleben können. Wir haben jetzt schon wieder zu trockene Zeiten. Wir haben jetzt schon wieder zu schlechte Luftqualitäten. Wenn wir nicht mehr Grün in diese Stadt kriegen, wenn wir nicht mehr Versickerungsstrukturen hineinkriegen, dass wir mehr Wasserspeicher bekommen, wenn wir nicht mehr Aufenthaltsqualität haben, dass die Leute wieder rauskommen und wieder etwas tun
im öffentlichen Raum – zum Beispiel einkaufen, in Kneipen gehen –, dass wir sozusagen eine lebenswerte Umgebung haben, dann werden wir hier untergehen. Und das schaffen wir nur, wenn wir die Autos wieder dahin zurückdrängen, wo sie herkommen, nämlich aus den privaten Garagen, aus den privaten Parkhäusern. Das Parken von privaten Autos auf öffentlichen Straßen kann es nicht mehr geben. Also Parkraum jetzt schon einschränken, drastisch verteuern. Und dann müssen die Leute in Parkräume, die privater Natur sind. Der öffentliche Raum muss für andere Dinge freigestellt werden.
Wir sanieren an jeder Ecke etwas. Da müssen gewerbliche Fahrzeuge hin, und die dürfen nicht in der zweiten Reihe parken. Wir dürfen es nicht mehr erlauben, dass – wie letzte Woche in Berlin – ein Feuerwehreinsatz daran gescheitert ist, weil ein Falschparker vor der Feuerwehreinfahrt stand. Das ist unglaublich, was wir uns hier leisten. Ich bin aber ganz zuversichtlich, dass das jetzt langsam kommt. Wenn die CDU schon den Koalitionsvertrag damit begründen muss, wir machen hier ein Bekenntnis zum Auto – also, wenn ich etwas bekennen muss, dann ist
es nicht mehr selbstverständlich. Wenn es aber nicht mehr selbstverständlich ist, dann kann ich es politisch diskutieren, und jetzt fangen wir da an. Und seit der Pandemie haben wir gemerkt, wir haben einen zu entfernungsintensiven Lebensstil. Wir können es auch einfacher. Wir merken jetzt in der Statistik: wir fahren tatsächlich schon weniger. Das Auto hat weniger Fahrleistung. Auch der Anteil der Wege ist weniger geworden, und wir könnten viel mehr Rad fahren. Immer noch sind 92 % aller Fahrten mit dem Auto unter 10 Kilometer. Also, wir
könnten viel mehr. Und Berlin muss das jetzt erkennen. Und ich bin optimistisch, dass die Senatoren, auch der Regierende Bürgermeister das erkennen und dass wir jetzt langsam – vielleicht muss die CDU ihren eigenen Stil finden, wie sie es macht. Sie sollen es natürlich nicht so machen, wie die Grünen das machen würden. Vielleicht findet die CDU ihren eigenen technischen Stil, das zu tun, aber wir kommen daran nicht vorbei. Ja, was mich wundert – denn ich weiß nicht, ob Sie sich da Gedanken gemacht haben und da eine Antwort
hätten. Aber um das auch ein bisschen größer zu machen: das Thema, dass die Deutschen tatsächlich in diesem Fall ganz klar auffallen, weil sie gegenläufig sind oder diesen Trend nicht mitgehen wie andere Großstädte – Berlin nimmt da auch das Thema Innovation. Dass da vielleicht andere – die Chinesen haben wir angesprochen, aber auch der Pragmatismus der Amerikaner – dass es in anderen Kulturen die Innovationsfähigkeit der Kultur ist. Was ist es, was macht es aus – kann man etwas besser machen? Wenn man jetzt mal positiv und konstruktiv in
die Richtung überlegt, dass man Deutschland da ein bisschen mutiger und ein bisschen pragmatischer macht und mehr in diese Richtung geht. Ja, also „Zeitenwende" ist der richtige Begriff, aber für das Falsche beschrieben, was der Noch-Kanzler gesagt hat.
Spannend, was uns Herr Professor Knie so alles erzählt hat. Er hat einen unglaublichen Hintergrund – ein Soziologe, der dann durch ein Spin-off Unternehmer wurde, mit der großen Deutschen Bahn einen Deal gemacht hat und dann so viele neue Initiativen gestartet hat, die vielleicht der eine oder andere auch schon benutzt hat, wie Call a Bike etc. Man merkt wirklich, wie er brennt für diese Themen und dass es ihn frustriert, wie manchmal mutlos in Deutschland Sachen angepackt werden. Und er hat klare Visionen: autonomes Fahren, elektrische
Mobilität – da kannte er sich ja prima aus. Was die Geschichte angeht: er hat zwar viel über den Diesel geforscht, aber kannte sich ja prima aus. Und so spannend war es auch zu erfahren, wie die E-Mobilitätshistorie verlief – dass E-Mobile so lange gleichzeitig eigentlich koexistiert haben, am Anfang im 19. Jahrhundert, und dann irgendwann nur noch Verbrenner da waren. Und dann 1973, wie es dann wieder zum Wandel kam, Kaliforniens Rolle, so viele Höhen und Tiefen, weshalb Sachen passieren oder nicht, geopolitisch
und die Unterschiede, die wir dann auch hatten zwischen verschiedenen Ländern – und warum die Deutschen so sind und was man denn machen könnte. Mir hat es auch richtig Mut gegeben. Einer der Sätze, die er gebracht hatte, fand ich besonders spannend: dass man einfach immer für Mut belohnt wird. Und in dem Sinne: Was können wir denn jeden Tag machen, um mutig zu sein? Ich denke, mit dem Schlusswort – ja, vielleicht einen Podcast hören, wo man auch ermutigt wird, ist ja auch eine Sache – und dann wirklich ins Machen
kommt und die Welt ein Stückchen besser macht. Falls euch das und dieser Spirit gefällt, dann abonniert gerne und teilt die Folge mit denjenigen, bei denen ihr denkt, das könnte denen gefallen. Ja, wir hören uns beim nächsten Mal.
Notities bij de aflevering
In dieser inspirierenden Episode treffen wir Prof. Andreas Knie – Soziologe, Seriengründer und Pionier der deutschen Sharing‑Economy. Er erzählt, wie aus universitärer Forschung ein Startup wurde, das mit der Deutschen Bahn Call‑a‑Bike & Co. zum Leben erweckte. Mit viel Leidenschaft blickt Knie auf die Meilensteine und Sackgassen der Mobilitätsgeschichte: von der Koexistenz elektrischer und verbrennungsmotorischer Fahrzeuge im 19. Jahrhundert über die Ölkrise 1973 bis hin zu Kaliforniens Vorreiterrolle beim Comeback der E‑Autos. Prof. Knie nimmt kein Blatt vor den Mund, wenn es um Deutschlands Mutlosigkeit geht – und liefert gleichzeitig greifbare Visionen: autonomes Fahren, konsequent elektrische Flotten und eine Infrastruktur, die Wandel zulässt statt verhindert. Geopolitische Stolpersteine, transatlantische Unterschiede und die Frage, warum deutsche Ingenieurskunst manchmal am eigenen Perfektionismus scheitert, kommen ebenso zur Sprache wie das Credo des Gasts: Mut wird immer belohnt. Hört rein, lasst euch motivieren und findet heraus, was jede:r von uns täglich tun kann, um die Mobilitätswende voranzutreiben. Wenn euch dieser Spirit gefällt, abonniert den Podcast, gebt uns ⭐⭐⭐⭐⭐ und teilt die Folge mit allen, die neuen Schwung für ihre Zukunftsvision brauchen!