Ep. 24: Kathrin Goldammer & Oliver Arnhold über die Skalierung von Localiser und datengestützte Standortplanung für Ladeinfrastruktur
Transcript
Opgeschoond op basis van een automatisch transcript. Vertalingen zijn automatisch gegenereerd en kunnen fouten bevatten.
Welkom bij de Smart Charge by RiDERgy Podcast. Dit is Claudio Geyken, oprichter en CEO van RiDERgy. Dit is uw show om alles te leren over energiebeheer en slimme laadtechnologie voor elektrische voertuigen en wagenparken.
Welkom bij Smart Charge, de podcast voor iedereen die laadinfrastructuur op basis van gegevens benadert. Vandaag als gast het CEO-duo van Localizer: Professor Dr. Katrin Goldammer en Oliver Arnhold. Localizer is een Berlijnse spin-off van het Reiner Lemoine Institut, opgericht in 2018, en ontwikkelt een platform waarmee gemeenten, energieleveranciers en CPO's laadlocaties sneller kunnen identificeren en plannen. Katrin is mede-CEO van Localizer en tevens professor aan de HTW Berlijn. Zij brengt onderzoek, praktijk en ondernemerschap samen. Oliver is mede-CEO en medeoprichter. Samen drijven beiden de schaling van gegevensgestuurde locatieplanningen voort in
Duitsland en daarbuiten. Localizer analyseert inmiddels meer dan 1,2 miljoen potentiële locaties en geldt als eerste GDPR-conforme planningssoftware voor laadinfrastructuur. In deze aflevering bespreken we hoe gegevens intuïtie vervangen bij locatiekeuze, hoe samenwerking met steden en leveranciers versnelt, en wat volgende op de routekaart van Localizer staat. Koptelefoon op, oplaadstatus checken en daar gaan we. Fijn dat jullie vandaag erbij zijn. Hoe gaat het met jullie? Mijn eerste podcast ook met zijn drieën. Ik ben vol verwachting. Ja, dank je wel. Het gaat goed met ons. Veel dank voor de
uitnodiging. Ja, dank je wel. Voordat we starten met Localizer en het RLI, kunnen jullie jezelf misschien even kort persoonlijk voorstellen. Wat was jullie achtergrond? Hoe zijn jullie bij het RLI gekomen? Mijn naam is Katrin Goldammer. Ik ben de directeur van het RLI. Het RLI is een onderzoeksinstituut. Het heet Reiner Lemoine Institut en is in Berlijn. Daar doen we technologieonderzoek rond de energietransitie. En omdat we de energietransitie in alle sectoren willen, hebben we ook altijd al mobiliteitsthema's behandeld. Hoe krijg je hernieuwbare stroom in de auto,
in de logistiek enzovoort? Ik heb elektrotechniek gestudeerd en ben gepromoveerd in de natuurkunde, maar ben snel in de energiebranche gaan werken. Ik heb elektriciteitscentrales beheerd, met stroom gehandeld. Daarna heb ik energiebeleidsadvies gedaan en via verschillende wegen ben ik bij het RLI gekomen. En vanuit het RLI hebben Oliver en ik in 2018 Localizer opgericht. Ons eerste startup, met de achtergrond van deze ervaring uit het onderzoeksinstituut en met de kennis hoe je projecten aanpakt die we echter sneller wilden doen. Het idee van het startup
was juist om schaalbaarheid in te brengen in het adviesgedeelte dat we al een tijdje op het RLI oefenden. Interessant. Nog iets toe te voegen? Ja. Mijn naam is Oliver Arnhold. Ik ben samen met Katrin directeur van Localizer, heb ook eerder op het RLI gewerkt, was zelfs vanaf april 2010 één van de eerste medewerkers. We zijn met vijf personen gestart en hebben het RLI vervolgens enorm uitgebouwd. En vóór mijn tijd bij het RLI heb ik voertuigtechniek en hernieuwbare energieën gestudeerd. Ik heb zelf in de auto-industrie gewerkt en mocht meewerken aan de eerste plug-in hybrid van een Duitse autofabrikant
en vroeg me toen af waarom dit voertuig met tweeënhalf ton gewicht slechts tweeënhalf liter brandstof verbruikte. Natuurlijk was dat ook het elektrische deel. En als voertuigtechnicus interesseerde het elektrische deel me. Hoe komt deze elektrische energie in de balans? En dat was eigenlijk de motivatie om hernieuwbare energieën te studeren. Dat was de ingang naar energietransitie- en vervoerstransitie-onderwerpen. En zo ben ik dan bij het RLI terecht gekomen. Interessant. En de oprichting van het RLI was rond 2010. Hoe ontstond de oprichting? Hoe gebeurde
dat dan? Het RLI werd opgericht door de Reiner Lemoine Stichting, dus door een gemeinnuige stichting die al enkele jaren eerder was opgericht, kort na het overlijden van Reiner Lemoine. Dat was een Berlijnse ingenieur die zijn leven aan het hernieuwbare energie had gewijd. Hij wilde eigenlijk zijn kennis inzetten voor een betere wereld. En dat deed hij eerst door met zijn vrienden elektronics te ontwikkelen voor windkrachtinstallaties enzovoort. En vervolgens – daar is hij ook wat bekend om – richtte hij in de jaren negentig deze twee grote Duitse zonnebedrijven op:
Solon en Q-Cells, beide. Ja, hij was betrokken bij deze beide oprichtingen. En hij was ook betrokken bij de beursgangenvan beide bedrijven en is daarbij rijk geworden, maar wist dat hij helaas ziek was en zou sterven. En hij heeft zijn geld in een stichting gegeven, dat is dus de Reiner Lemoine Stichting. Hij heeft quasi nog de oprichting van deze stichting meegemaakt. En de stichting begon een paar jaar voor het instituut, gaf eerst promotiebeurszen uit, probeerde op
deze manier het levenswerk van Reiner voort te zetten, en had toen het idee dat je dat ook goed met een onderzoeksinstituut kunt doen. Nu is het zo dat zij het instituut hebben opgericht, maar het niet vooral financieren. We financieren ons via projecten van derden. We krijgen elk jaar een dotatie van de stichting en moeten ongeveer 95 % via derdemiddelen regelen. Dat wil zeggen dat we veel competitief gericht onderzoek doen. We doen ook adviesprojecten. En daarom geloof ik dat we ook goed erin waren, altijd na te denken wat
Markt? Dus welke kennis hebben wij die andere mensen nodig kunnen hebben? En met zo'n mentaliteit zijn we destijds onder andere op onze stichting afgegaan en hebben gezegd: Zouden jullie je kunnen voorstellen een spinoff te ondersteunen? Eerder als vrienden en familie, dus niet als grote investeerders. Maar zouden we misschien samen uit een goed idee uit het instituut een bedrijf kunnen opstellen? En daaruit is dan Localizer ontstaan. Interessant. En de aspecten die ik ook interessant vond: jouw carrière is – ik ben zelf werktuigbouwkundige en aan het KIT
waren bijvoorbeeld ook maar weinig vrouwen die interesse hadden voor elektrotechniek of werktuigbouwkunde. Wat heeft je gemotiveerd? En hoe zie jij ook het thema vrouwen in Duitsland? Waarom zijn er nog niet zoveel die werktuigbouwkunde of elektrotechniek studeren? En wat kun je doen zodat er meer van zulke personen zijn zoals jij? Nou, ik heb destijds op school meegekregen hoe slecht de statistiek is. Elektrotechniek is een van de vakken waar het vrouwenaandeel het laagst is. Toen ik destijds begon met studeren,
waren we op een of ander moment zes vrouwen op 120 mensen, en na het propedeuse één vrouw op 60. En ik was die ene. En ik heb dat ook onder andere daarvoor gestudeerd, omdat ik dacht: Oké, dan moet daar toch iemand dat aandeel verhogen. Dat ben ik dan wohl wel. Wie moet het anders doen? Dan doe ik het gewoon. En ik zou me ook gewenst hebben dat dit vak diverser is georganiseerd. En hoe kun je dat veranderen? Nou ja, je kunt natuurlijk
de omgang met elkaar zo inrichten dat het voor mensen aangenaam is. En ik kan ook niet zeggen dat het aangenaam was als vrouw elektrotechniek te studeren aan de TU Berlijn eind jaren negentig. Het was namelijk niet zo dat de omgeving divers, vriendelijk, voorkomerend en op gelijkstelling gericht was, maar het was discriminerend, racistisch en sexistisch. En ik zou me wensen dat deze omstandigheden veranderen, want dan wordt het ook aantrekkelijker voor moderne mensen om zulke vakken te studeren en in zulke vakken te blijven. Nu kan ik
alleen op mijn niveau daarop inwerken. Ik kan ervoor zorgen dat de organisaties die ik leid, zulke waarden hebben. Of ik kan, als ik aan de HTW werk – daar ben ik professorin – ervoor zorgen dat de omgeving voorkomerend is voor alle mensen die daar willen studeren. En zo zie ik nu mijn taak. Maar destijds in de jaren negentig heb je gelijk, daar waren we erg, erg weinig met elkaar. Goed. En hoe kwam het tot de oprichting van Localizer? Hoe is het idee ontstaan?
Dus de thematiek hebben we bij het Reiner-Lemoine-Instituut al heel, heel lang bewerkt. Eigenlijk al een jaar na de oprichting hadden we de eerste opdrachten uit het bedrijfsleven en de politiek, locatieonderzoeken voor laadinfrastructuur uit te voeren – uit Hessen, uit Brandenburg, uit Berlijn. En destijds financierde de bond locatieonderzoeken respectievelijk laadinfrastructuurconcepten zelfs nog met 80.000 € per onderzoek voor een gemeente. En dan kon je jezelf een jaar de tijd nemen: dus eerst aanmelding, de gemeente moest eerst nog een aanbestedingsprocedure doen, dan doe je jezelf aanmelden,
dan een jaar lang uitvoering. Dus daar merk je al wat voor een lange periode dat was en hoeveel geld daarin zit. Dat was destijds zo. Dat hebben we als onderzoeksinstituut gedaan. En we hebben echter gemerkt dat je daarmee de energietransitie eigenlijk niet echt kunt versnellen, omdat de locatieonderzoeken die we hebben opgesteld, uit vandaag het perspectief denk ik heel goed waren, maar ze waren na enkele maanden alweer verouderd. Dat was destijds niet erg, omdat de toevoeging van nieuwe laadpunten niet in
de snelheid was zoals vandaag. Destijds – waar hebben we het nu over welk jaar? 2011 was het dan zo, 2011, 2012, zo – dat waren de begintijden. Destijds kenden sommige CPO's hun laadpunten nog aan de hand van het nummer, of kenden zelfs sommige gebruikers, omdat zo weinig mensen daar laadden. Daar zei de een keer: "Ja, mens, dat is toch de Tesla-chauffeur, de directeur van dat ene metaalbouwbedrijf, die laadt daar altijd." Maar dat was destijds zo. En we hadden destijds opgemerkt:
Als we echt impact willen hebben, dan moeten we deze locatieanalyses automatiseren en schaalbaar maken. En ik kan wel even wat getallen noemen. Destijds kostte ongeveer een maand 10.000 tot 12.000 € als we eenvoudigweg een aardrijkskunde of een ingenieur eraan zetten voor zulke locatieonderzoeken. En vandaag zitten we in de kosten met een factor 10 lager, en de snelheid kun je helemaal niet omschrijven, omdat de locatieanalyses vandaag niet door ons worden gedaan, maar door de software. Dat wil zeggen, onze klanten zelf doen de analyses
dag en nacht. En daarom zijn we daar veel, veel sneller. En de oprichting – dat was de eigenlijke vraag – is zo tot stand gekomen: We konden in het gemeinnützige onderzoeksinstituut niet zomaar een softwarevertrieb opbouwen, Software as a Service, zoals we ons dat hadden voorgesteld. En daarom zijn we toen naar de stichting gegaan en hebben hen het idee gepresenteerd. Zo, en dat was het startpunt. Oké, en de NOW en de gemeenten hebben daar quasi ook
een soort dienstverlening gevraagd. Als ik dat goed begrepen heb: De NOW heeft daar sterk gecoördineerd, en de middelen kwamen, ik geloof, meestal van het Bundesverkehrsministerium. Maar er waren ook op deelstaatniveau steunprogramma's. Er zijn, ik geloof, vandaag zelfs nog steunprogramma's voor de hardware in enkele deelstaten. Ja, zo was het. Maar uit nieuwsgierigheid: Jullie hebben heel wat verschillende projecten, steunprogramma's en andere, zoals jij zei, ook Kathrin, die jullie al hebben begeleid. Hoe kwam dan de beslissing? Ik geloof niet dat zoveel startups
hebben we dan uitgegrond uit het RLI. Dat was het één geweest. En hoe kwam het dan tot onderwerp, zeg maar tot een uitgrondingsproject, bij anderen misschien niet? Uit mijn perspectief: Ik was destijds de directeur van het RLI, ben ik ook vandaag nog. Was het op de een of andere manier de juiste combinatie van een geweldig onderwerp, waar we in de schaalbaarheid hebben geloofd, en de juiste mensen. Dus Oliver had zin om iets nieuws te beginnen, ik had zin om hem daarin te vergezellen. En in die combinatie hebben we het
gedaan. We hadden destijds ook enkele collega's in het instituut die zeiden: "Kunnen jullie mij daarin meenemen?" – die we in het begin gedeeltelijk hebben meegenomen. Er waren overigens ook – volledige openheid – mensen in het instituut die zeiden: "Jullie doen daar wel iets geks. We zijn een non-profitonderzoeksinstituut. Waarom interesseren jullie jullie überhaupt voor zo'n commerciële activiteit?" We hadden daar dus twee visies op, maar ik heb het graag gedaan. En onze huidige ervaringen zouden zeggen dat het de moeite waard was, omdat we
daarmee een tweede organisatie hebben gecreëerd, die haar eigen medewerkers heeft, die vandaag 14 mensen kan financieren en die naast het instituut bestaat, zonder het instituut projecten af te nemen. Het schaalbare bedrijf is iets anders dan het onderzoeks- en advieswerk dat we uit het RLI blijven doen. Dit spanningsveld dat jij zojuist hebt aangestipt, vind ik ook interessant. Misschien kunnen we daar kort op ingaan. Er is, geloof ik, in het bedrijfsleven – ondernemers hebben voor zichzelf natuurlijk het antwoord gevonden waarom
het zinvol is om een bedrijf op te richten. Maar er is toch een groot deel van de samenleving dat tegenover het bedrijfsleven altijd een beetje kritisch staat: "Ze zoeken toch alleen maar naar winst" en ga zo maar door. Jullie zaten dan echt ergens tussenin in dit spanningsveld. Hoe hebben jullie dat dan gedaan? Wat waren dat voor argumenten die ertoe leidden om te zeggen: "Oké, het heeft absoluut zin om een startup op te richten"? Ik kan je de argumenten geven, en ik zeg er meteen bij dat ze
niet iedereen bij ons hebben overtuigd. Je kunt dus als argument zoiets zeggen als: "Kijk naar Reiner Lemoine. Het geld dat naar zijn stichting is gegaan, kwam uit zijn ondernemersactiviteiten. Dat kwam niet uit zijn non-profitwereld daarvoor, maar dat kwam uit de ondernemersactiviteiten. En we zijn blij dat die er waren, want dat heeft de stichting mogelijk gemaakt, en dat heeft ook het instituut mogelijk gemaakt." Heeft niet iedereen overtuigd, maar dat zou je als algemeen argument kunnen aanvoeren. En er is ook nog de
aspecten die ik destijds in mijn leidinggevende rol belangrijk vond: Ik wilde het instituut doorontwikkelen, ik wilde ook de medewerkers doorontwikkelen, en ik vond het de moeite waard om dit experiment aan te gaan. En ik denk dat als oplossingen in het bedrijfsleven functioneren, dat ook zoiets als een ridderslag is, want de bedrijven willen natuurlijk economisch actief zijn. En als we de energietransitie echt snel willen realiseren, dan hebben we deze schaalbaarheid nodig. En daar kan het niet van één bedrijf afhangen, maar dan moet je quasi de hele economie of zeg maar iets activeren,
dat de hele economie zo snel mogelijk werkt. We hebben vandaag 20.000 locatieevaluaties per week op ons platform. 20.000 locaties worden in Europa onderzocht. En daar merk je dat je dat met klassiek onderzoeks- en advieswerk met de hand of in persoon helemaal niet kunt doen. En nu een stap terug om het probleem echt uit te lichten, wat misschien voor jullie natuurlijk heel duidelijk is, maar voor iemand die er niet in zit: Wat is het eigenlijke probleem waarom jullie oplossing ook nodig is? Dus,
als je eigenaar van een eigen huis bent en een elektrische auto hebt, dan is het gewoon een no-brainer om een laadpaal of een wallbox aan de muur te schroeven. Bij bedrijven, bij vleoten, is dat ook relatief eenvoudig. Maar de onzekerheid ontstaat dan wanneer het om openbare laadbehoeften gaat of om laadbehoeften op plaatsen die openbaar toegankelijk zijn. En deze onzekerheid nemen we van de investeerders weg. Dat is eigenlijk de basisbeweging. Begrepen. Dat wil zeggen dat de onzekerheid erin bestaat waar je dit laadpunt zou moeten installeren. Precies, en ook
welke laadcapaciteit dan geschikt is, want de laadcapaciteit moet immers aansluiten bij de verblijfplaats. In de beginperiode van elektrisch rijden was er nog het begrip "laadpauze". Dat zou beschrijven dat je ergens gewoon veel te lang bent en jezelf moet vermaken. Mij is persoonlijk al overkomen dat je laadstress hebt, omdat de auto zo snel laadt en je de familie op het tankstation niet zo snel door het toilet en door het restaurant kunt heen jagen. En dan nog de blokkeervergoeding erop.
komt. Precies zo. Dat wil zeggen dat de laadcapaciteit bij de verblijfsduur moet passen, en dat klinkt banaal, maar in de praktijk is het helemaal niet zo eenvoudig. Dat wil zeggen dat we de locaties onderzoeken, aanbevelingen doen voor de laadapparaten, dus laadcapaciteiten, en we kunnen ook de energiehoeveelheden die de CPOs dan kunnen verkopen schatten, dus in kilowattuur per jaar tot 2035. Dat is natuurlijk erg interessant voor de laadpuntbeheerder en voor zijn winstberekening bijzonder belangrijk. En daar geldt dan: locatie, locatie, locatie, toch? Dat is ja
bij onroerend goed altijd het geval, en dus ook bij jullie. En wat maakt deze goede locatie uit? Wat zijn bijvoorbeeld de top drie, of meer als jullie dat liever willen, aan factoren? Hoeveel tijd hebben we? Pff, daar moet ik even over nadenken. Dus, de factoren zijn verschillend voor de verschillende prestatiesklassen. Ik heb net nog een gesprek gehad waarin het gaat om vrachtwagenopladen. Dat is natuurlijk heel anders dan bij paalpalen. Ik zou graag
op bepaalde plaatsen een paallaad willen hebben, waar ik niet deze ladestress heb. Met 3,7 kW kun je mooi de hele dag laden. Dus, ik denk dat de belangrijkste factoren zijn: je moet kijken naar de lokale bevolking – welke laadbehoeften ontstaan door de lokale bevolking. Je moet naar de Points of Interest kijken, bijvoorbeeld supermarkten, en je moet naar het verkeer kijken. Dat zijn zo de drie categorieën. Misschien beginnen we eerst met categorieën denken. En dan kun je dat in de categorieën natuurlijk willekeurig gedetailleerd
uitwerken. En wat dan nog heel belangrijk is, is natuurlijk om de concurrentie in rekening te brengen. Destijds, toen we begonnen, was er niet zo veel concurrentie. De analyse die we op papier hebben afgedrukt, bleef een paar maanden geldig. Vandaag hebben we een heel ander ritme. Er worden veel laadpunten aangelegd. Dus je moet dagelijks de concurrentie checken, dagelijks de prijzen van de concurrentie checken. We gaan dus ook langzaam over naar deze operationele optimalisatie. Want als de laadpunten eenmaal staan, is de zaak niet afgerond, maar je moet natuurlijk
zorgen dat je op de markt standhoudt, aantrekkelijke laadprijzen hebt en de concurrentie in de gaten houdt. En dat is nog een heel ander gebied. Ja, spannend. En hebben jullie dan ook toegang tot al deze gegevensbronnen die jullie nodig hebben? Of zijn er ook bronnen waar het onmogelijk is? Nou, we doen dit al een hele tijd en hebben natuurlijk veel gegevens zelf verzameld en modellen opgesteld. We valideren veel dingen ook met onze klanten intussen, want als je zo'n groot klantbestand hebt, kun je
eigenlijk ook de validatie doen met de echte backend-gegevens van de klanten. We kopen echter ook gegevens in – dus als het gaat om dagelijks bijgewerkte prijsgegevens of gebruiksgegevens. Dus: hoe worden laadpunten die al op straat staan, werkelijk gebruikt? Dat kopen we in bij bevriende bedrijven. Oké. En daar zijn naar mijn weten ook bepaalde spelers die gegevens consolideren en aanbieden. Een Eco-Movement bijvoorbeeld is zeer bekend in de laadbranche. Dat wil zeggen dat jullie daar verschillende
Gegevensbronnen van derden die zaken aggregeren, neem ik aan. Eigenlijk maar twee. We proberen zoveel mogelijk zelf te doen. Maar die twee die ik net noemde – laadprijzen en capaciteitsgegevens –, dat zijn zaken die we bij bevriende bedrijven inkopen. En het is ook belangrijk om altijd een goede samenwerking te hebben, zodat dat robuust en stabiel functioneert. Al het andere doen we zelf. Ik geloof dat we zoveel zelf doen, omdat we uit deze wereld komen. Voor elk onderzoeksproject
van de tien jaar daarvoor moesten we ook gegevens verzamelen, scrapen, bellen, tabellen met elkaar combineren en dergelijke. En we waren als RLI altijd erg goed daarin – Data Science, vooral ook de hele wereld van open data. Daarin zijn we specialisten. En met dat beetje van die mentaliteit zijn we waarschijnlijk gestart. Omdat we wisten dat het kon, en omdat we daar veel ervaring mee hadden opgedaan, merkten we dat we dat ook op onze casos konden toepassen. En we zijn ook creatief. Daarmee wil
ik niet zeggen bij het stelen van gegevens, maar bij het samenstellen van gegevens tot een cool algoritme. Dus wat we allemaal aan het begin erin hadden, ook sociodemografische gegevens rond de waarschijnlijkheid dat iemand een elektrische auto rijdt in vergelijking met een verbrandingsmotor – bijvoorbeeld politieke voorkeuren, verkiezingsresultaten enzovoort. Daar hebben we goed mee uitgewisseld, werkelijk interdisciplinair met mensen uit de sociale wetenschappen, en hebben dan geprobeerd dat met gegevens in kaart te brengen. En zoiets hebben we bijvoorbeeld dan bij de
verkiezingsleiderswebsites opgehaald. Dus we hebben een goed mengsel samensteld, denk ik. En nu pas, zoals Oliver dat beschreef, waar de verdichting en deze real-time-onderwerpen sterker worden, daar hebben we dan meer met gegevensleveranciers samengewerkt. En hebben jullie ook – er is immers de EU Data Act, die nu in september komt, waar gegevens blijkbaar nog gemakkelijker toegankelijk worden gemaakt –, is dat voor jullie relevant? Een game changer? Zien jullie daar iets? Houden jullie daar ook mee bezig, of
zijn jullie in het algemeen tevreden met de situatie rondom gegevens. Jullie hebben ook eisen aan de politiek. Misschien dus ook niet zo sterk met de Localizer-bril. Met de RLI-bril heb ik waanzinnig veel eisen, omdat we voor beter onderzoek met betere gegevens ongelooflijk veel zouden kunnen bereiken. En daar wens ik me toegang tot heel veel dingen. Ik wil ook dat ze open licenties hebben, zodat ik in staat ben die te gebruiken. Deze gegevens – heel veel gegevens zijn eigendom of nog erger: er is gewoon geen licentie. Niemand
heeft zich überhaupt de vraag gesteld of onderzoek de gegevens mag gebruiken of niet. Dat is gewoon een incompetentie, denk ik, die op veel plaatsen voorkomt. Dus als deze Data Act ertoe leidt dat de overheid zich daar meer mee bezighoudt, begroeten we dat zeer. Van de Localizer-kant uit zijn we gewoon super uitgerust. En doordat we regelmatig validering hebben, krijgen we ook te weten dat onze datasets en onze resultaten goed functioneren. Ja, en er is nog in principe een derde zuil. Dus we hadden
ja, gezegd, er zijn gegevens die wij zelf genereren, en gegevens die wij inkopen – dus eigenlijk slechts twee datasets. En dan is er nog een derde zuil van gegevensverzameling, en dat zijn onderzoeksprojecten. Dus wij zijn weliswaar software-as-a-service-aanbieder, maar toch zijn wij nog altijd betrokken bij zeer, zeer innovatieve onderwerpen in onderzoeksprojecten. En het liefst natuurlijk samen met het RLI. En dat doen wij op Europese schaal. Dus wij hebben projecten rond de Oostzee met alle Oostzeeanringende staten. Wij hebben net een project in Oostenrijk. En dat
zijn – ik zeg maar – speerpuntprojecten, zo noemen wij die bij ons, waarbij wij in het onderzoek – falen is toegestaan – nieuwe wegen inslaan, wat uitproberen, wat testen. En dat zijn zulke projecten waarbij wij dan de nieuwste zaken ontwikkelen. Daar kunnen wij niet zoveel doen als bij het RLI. Maar wij profiteren natuurlijk van het feit dat wij zo'n lange geschiedenis hebben, een goed netwerk hebben en met het RLI en met andere onderzoeksinstituten ook uitstekend kunnen samenwerken. En als jullie zo'n voorbeeld noemen,
waar jullie gegevens voor nodig zouden hebben – welke soorten gegevens? Zijn het lastprofielen, of wat zou men zo – wat schiet jullie te binnen, top of mind? Dus als ik mijn zin kon krijgen, zou ik graag geo-gereferentieerde all verdelingsnetgegevens willen weten. Waarom interesseert mij dat in de context van elektrisch rijden? Nou, het interesseert mij daardoor, omdat natuurlijk netaansluitingskosten op de een of andere manier schalen met de inspanning en de afstand tot bestaande netaansluitingspunten, netten enzovoort. Dus als ik weet dat ergens een elektriciteitsnet aan de linker- of rechterkant van een
zesbaansenweg is aangelegd, dat is belangrijke informatie, toch? Want dan heeft het totaal zin om bij de laadpuntzoeking naar de ene of andere straatzijde te gaan. Dus dat is iets wat niet alleen bij het RLI super interessant is om te weten, maar ook in de context van elektrisch rijden. Men kan zulke datasets zelf genereren als men goed verstand heeft van elektriciteitsnetzen. Dat is toevallig een vaardigheid die ook het RLI heeft. Maar waarom niet meer open data in deze context? Dit zijn immers zaken van openbare voorziening. Totaal logisch. Dat is een
groot probleem. Precies. Dus wij hebben op zeker moment zelfs al netwerkplannen gekregen van netbeheerders. Daar konden wij het geval dat Katrin zojuist heeft beschreven, werkelijk weergeven. Dus: de verdeling aan de linker- of rechterkant van de straat – eenmaal onder de stramatrein door of de ICE-route – kost een zesciferig bedrag, geloof ik. Dat is ja ongelofelijk doorslaggevend voor onze klanten, waar zij het laadpunt plaatsen. Maar uiteindelijk kan de samenwerking alleen met de netbeheerder functioneren, omdat wij helemaal niet weten of in de bedrijfsvoering van de netbeheerder schakelingen in zijn
vermaasde netwerk doet, waar misschien al invoedingscapaciteit is toegewezen voor een bedrijvenpark, waar misschien vandaag de aansluitingscapaciteit beschikbaar zou zijn, maar die al bezet is, omdat over twee jaar ergens een bedrijvenpark ontstaat. En daar zou ik me voorstellen dat we in die richting moeten gaan, dat we gewoon een gestandaardiseerde uitwisseling met de netbeheerders hebben – via open data, modellen, interfaces, ampeelsystemen, wat dan ook. Maar dat zou niet alleen voor de elektrische mobiliteit zijn, maar voor iedereen – dus ook voor de producenten en voor locatieplannen – ontzettend nuttig. En als je nu
nogmaals in de richting van Go-to-Market kijkt: Hoe hebben – jullie zijn dan ook begonnen. Dus dan kan ik me voorstellen: Oké, de eerste projecten kwamen dan via deze subsidieprogramma's die je aan het begin beschreef, erin. Maar als bedrijf moet je jezelf op de markt positioneren en bekendheid krijgen. Kunnen jullie daar even op ingaan, hoe jullie – sinds 2011 was dat het begin, was dat bij RLI? Exact. Ja, daar was de ingang dat laadpaalexploitanten zich bij ons meldden en wij voor steden en gemeenten
deze locatieconcepten hebben uitgewerkt. We waren daar al heel erg gespecialiseerd. En toen was echt het moment: We moeten daar de schaling voor elkaar krijgen, dus hebben we de oprichting gedaan en dachten: Ja, nu. We zijn nu specialisten van RLI. We hebben het netwerk, we hebben de kennis. En nu gaan we echt los. En het grote aha-moment was voor mij – hoe zeg je het? – het grote aha-moment was: We konden geen enkele klant van RLI verder begeleiden. Degenen die naar Localizer
kwamen. Die wilden vervolgens PDF-rapporten hebben. Ze waren helemaal niet geïnteresseerd om slechts een tiende van de kosten te betalen, maar ze wilden gewoon dit dikke PDF-document hebben, het rapport, om daarmee naar het besluitvormend orgaan te gaan. En bij Localizer hadden we de eerste anderhalf jaar echt daar mee te stellen, want wij waren op Software as a Service ingesteld en afgestemd. We wilden geen PDF-rapporten meer maken. We wilden dat de klanten dat met ons, met onze software doen en op de knop drukken en dan hun kilowattuurprognose hebben. Maar
ze wilden het niet. En dat bezighield ons best wel in die tijd. Ja, spannend. En organisatorisch, hoe hebben we dat gedaan? We hebben een beetje geld ingezameld van vrienden en familie en van ons en van onze stichting en hadden dan eerst geld om deze software te programmeren. Dus we zijn direct gestart en hebben die in het eerste jaar geprogrammeerd. En toen was er een platform klaar, waarin je dat alles had kunnen automatiseren, algoritmisch zelf kunnen doen. En toen dachten we, dat is
maar nu de doorbraak. Dan kun je met één klik punten bepalen, evalueren en ga zo maar door. En toen gebeurde wat jij zei. Dus de mensen zeiden, dat is allemaal mooi en goed, maar een PDF-rapport zou ook fijn zijn. Niemand van ons had zin om nu allerlei teksten toe te voegen. Dat is ons overkomen. Toen had ik bijvoorbeeld aan het begin nog het idee dat we met ons algoritme heel goed rankings zouden kunnen maken. Dus ik heb altijd gewacht op zo'n
klassieke multisite-klant, die zegt: "Nou ja, dit zijn mijn 10 of 20 of 50 potentiële locaties. Maak me daar eens een ranking van." En dan weet ik: Ah, deze hier zal waarschijnlijk winstgevender zijn in de toekomst dan andere. Dat is ook helemaal niet zo gestart zoals we wilden. We hadden heel vroeg een heel, heel grote Duitse klant, die een bekende supermarktketen is, met honderden filialen in Duitsland – daar werkte het. En voor die hebben we dan bijvoorbeeld zo'n upload geprogrammeerd,
die kon gewoon zijn Excel-tabel met zijn 500 locaties uploaden, kreeg dan inderdaad zo'n ranking terug. De locaties werden automatisch in de software ingelezen – dus we hebben toen van zo'n klant geleerd hoe hij, hoe hij de software wilde gebruiken. Zoiets ging ook relatief snel. Maar dat waren zo individuele projecten aan het begin. We hadden nog niet het gevoel dat we nu 10, 12, 15 standaardklanten hebben die allemaal hetzelfde willen. Dat heeft ons vrij lang beziggehouden. En wat
was er toen? Ja, of wil je nog iets toevoegen? Ja, dus we hebben er behoorlijk mee geworsteld. We moesten ook in ons bedrijf veranderingen doorvoeren. We moesten inderdaad ook contracten beëindigen. We hadden financieel mee te kampen. En toen hebben Katrin en ik en een klein kernteam eigenlijk verkoopwerk voortgezet, omdat we er gewoon van overtuigd waren. Want het is gewoon een no-brainer, voor een tiende van de kosten betere analyses te hebben, dag en nacht. En toen op een gegeven moment knapte de knoop. En toen hebben we het team
opnieuw opgebouwd. Katrin heeft al gezegd, we hebben nu 14 personen, stijgende lijn. We zijn van Noorwegen tot Italië, van Polen tot Engeland actief. En dat verrast ons eigenlijk niet. Maar wat ons verrast, is dat we dezelfde locatie bijvoorbeeld ook door verschillende actoren kunnen laten beoordelen. Dus niet alleen de CPO's vragen ons aan, maar ook de locatie-eigenaren, de banken, de beleggingsfondsen, pensioenfondsen. Dus ik heb in de afgelopen jaren heel veel bijgeleerd over wat allemaal rond een laadpunt – wie nog
allemaal betrokken zijn. Spannend. Ik wilde nog toevoegen: Ik zou vanuit mijn huidige perspectief zeggen, we waren anderhalf tot twee jaar heel vroeg. En dit geautomatiseerde product had nog niet zo'n sterke markt als tegenwoordig. Maar voor ons was het de juiste tijd. We zijn het in elk geval in 2018 zo gestart, maar je had het misschien ook in 2019 of 2020 kunnen starten en had dan meteen dit echt schaalbare deel meegenomen. En we waren heel vroeg. Aan de andere
kant zou ik zeggen, daardoor zijn we al lange tijd op de markt. En we kennen de ontwikkeling van deze klanten ook erg goed. Dus deze klantenkring had toen ook nog andere wensen dan vandaag. En we konden ons project zo voortzetten, of ons platform zo verder ontwikkelen, dat deze wensen van de klanten erin meegenomen werden. Dat heeft ons natuurlijk in staat gesteld veel klantgerichter en ook marktgerichter te worden. Dus we hebben toen opgemerkt wat ze nodig hebben, wat ze niet nodig hebben. We hebben veel gesprekken gevoerd en hebben toen
gezegd: "Ja, natuurlijk, dat kunnen we voor jullie doen." En daarom hebben we nu een product dat we niet zogezegd van bovenaf hebben bedacht, maar wat samen met de klanten is ontstaan. En dat heeft zich bij ons ook getoond als een heel goed middel voor verdere ontwikkeling. Veel van de dingen die je net hebt besproken, bijvoorbeeld deze ontwikkeling naar andere landen, dat komt eruit voort dat een klant van ons zei: "Ik ben eigenlijk ook in andere landen. En de software die ik daar heb, is niet
zo goed als de jouwe. Kan ik de jouwe niet aan mijn collega's uit de andere landen aanraden? We zeiden: Ja, eigenlijk wel, we kunnen die natuurlijk beschikbaar stellen. En zo zijn we in deze landen geëxpandeerd. Dus dat zijn klantenwensen die we toen hebben ingevuld. En de doorbraak, die kwam dan – was er een moment of was er een bijzondere pivot, zoals men zegt in start-upjargon, zo'n verandering van strategie of in het product, die ertoe leidde dat zo'n doorbraak kwam? Of
ik denk, het was gewoon het juiste moment, dat je lang genoeg hebt gewacht. Ja, ik denk dat het twee dingen waren. Het ene punt was dat bij onze klanten de druk steeds groter werd en ze merkten dat ze met personeel de locaties niet meer handmatig kunnen checken en in de PDF alle locaties doorblderen. Dus de eerste grote klant, die is meteen gestart met 4000 locaties en met meerdere afdelingen. Daar was een afdeling die alleen locatieacquisitie deed. Die moest
dus echt heel, heel snel duizenden locaties beoordelen en überhaupt kijken: loont het überhaupt om de eigenaar van het terrein te bellen? Ze moesten echt heel, heel snel rekenen. Toen hebben ze de beste 100 locaties doorgegeven aan de volgende afdeling. Die hebben wat meer in detail gekeken, tot bij de bouwafdeling, die de dingen hebben gebouwd. En toen de bedrijven merkten dat het met PDF-documenten niet meer werkte – ook de informatiedoorgifte binnen het bedrijf of naar de dienstverleners – bij ons kun je gewoon de dienstverleners uitnodigen, kun je
met de telefoon een foto maken, en dan is eigenlijk de bouwbesprekig meteen gedocumenteerd. Toen deze druk bij onze klanten ontstond, sprong de knoop eraf. Spannend. En je hebt al de stakeholders genoemd. Dus de belangrijksten nog een keer in volgorde: Momenteel zijn dat de CPO's, als ik het goed begrijp, voor jullie. En misschien kun je nog aanvullen, de anderen die je ook hebt genoemd – hoe relevant zijn die nu voor jullie? Dus CPO's, logisch, dat zijn de meest voor de hand liggende, maar er zijn altijd weer actoren. Ik had al
de fondsen genoemd. Investeringsfondsen, die uiteraard grote portfolio's beheren, en die moeten ook heel, heel snel beslissingen nemen. Of als het om bedrijfsovernames gaat, dan nemen banken of ook investeersmaatschappijen contact met ons op en willen ze weten hoe goed is eigenlijk een portfolio van het bedrijf dat ik wil kopen. We hebben ook al insolventieterritorium begeleidt – een beetje lugubair, maar daar moet ook worden ingeschat hoe goed is eigenlijk de portfolio die iemand heeft opgebouwd. En onlangs zei iemand tegen ons:
Ja, jullie zijn bankable. Wat hij daarmee bedoelde was dat onze software op een standaard berust die wij samen met het Duitse Instituut voor Normalisatie zelf hebben gemaakt – dus niet alleen, we hebben het geïnitieerd, maar het Nationale Leidinggefcenter voor Ladeinfrastructuur was erbij, federale ministeries, provinciale ministeries, maar natuurlijk ook CPO's, van de BDI, een bedrijf van de VKU, de vereniging van gemeentelijke bedrijven was erbij. En daar hebben we een standaard gecreëerd. En door deze gestandaardiseerde aanpak die we hebben, worden onze analyses ook door banken en investeerders geaccepteerd. Dat kent
men ja uit de PV-branche. Als je ergens een PV-park of windpark bouwt, heb je rendementsgutachtens van derden nodig. En we kunnen dat in het domein ladeinfrastructuur doen. En daarom hebben we eigenlijk dit veld van investeerders voor onszelf geopend. Dus CPO's, investeerders, grondeigenanars – ineens zijn grondstukken interessant die vóór de ladeinfrastructuur niet interessant waren, omdat ze gewoon vanuit ladeinfrastructuur-perspectief goed liggen. Voor de bouw van een woonwijk of kantoorgebouw zijn ze misschien niet zo aantrekkelijk. Dat wil zeggen, die willen ook hun portfolio's waarderen. Woningmaatschappijen willen of
moeten ladeinfrastructuur opbouwen. Steden en gemeenten stellen plannen op. Daarmee sluit zich de cirkel een beetje – daarmee zijn we eigenlijk ooit begonnen. Steden als Wenen, Hamburg of Berlijn hebben we ook al begeleid bij grote aanbestedingen, waar deze steden dienstverleners zochten die ladeinfrastructuur zouden uitbreiden. Ja, begrepen. Je hebt het genoemd – dat is eigenlijk ook erg interessant, deze analogie met de PV-branche of wind, die moeten ook soort van locatiebeoordelingtools toepassen. Zijn daar veel analogieën en
waar zijn er dan grote verschillen met deze branches? Ik heb wel hernieuwbare energieën gestudeerd, maar ik heb nog nooit zelf een windgutachten opgesteld, moet ik zeggen. Dus van de investeersmaatschappijen kennen we een paar KPI's die ze uit de PV- en windbranche meebrengen. Daar hebben we ons een beetje wat afzien. Maar ik kan daar niet in detail op ingaan. Uiteindelijk is het technisch iets heel anders. Dus ik kijk naar jaarlijkse instralingen of schaduwwerking of windschaduwwerking of windparkeffecten. Die hebben
we niet. Bij ons zijn het deze drie zuilen die ik noemde: bevolking, POI en verkeer, en dan de concurrentie. En in totaal zijn het tientallen factoren die dat nog verder detailleren. Op het gebied van de bevolking is voor ons bijvoorbeeld de gebouwenstructuur belangrijk. Als je een laadpunt in een buitenwijk zet, in zo'n villawijk, dan wonen daar natuurlijk ook mensen die misschien ook solvabel zijn, het aandeel elektrische voertuigen is hoog. Het politieke stemmingsgedrag correleert goed met het aandeel elektrische voertuigregistraties. Dat had
Katrin kort aangeduid: alle factoren kunnen goed zijn, maar toch spuwt onze software uit, er is nauwelijks openbare laadbehoefie. Waarom? Omdat thuis laden natuurlijk veel aantrekkelijker is – economisch. En onze software herkent dat er daar geen openbare laadbehoefie is. Als je evenveel inwoners zou hebben in een gebouwenstructuur waar meer eengezinshuizen staan en niet genoeg private parkeerruimte, komt daar weer een laadbehoefie uit. En zo zijn er, zoals gezegd, tientallen factoren die we in de loop van de tijd steeds preciezer hebben beschreven. Ik heb
gezien dat het al circa 2000 CPO's zijn die de software hebben gebruikt. Dat wil zeggen, ik heb enorm veel ervaringswaarden. Wat hebben jullie geleerd? Wat heeft je verrast, wat zou misschien ook een interessante anekdote kunnen zijn, van jullie data en analyses? Nou, ik strooi even iets in waar ik nog steeds een beetje op wacht: We hebben Localizer eigenlijk niet als
software geschreven die zulke gutachtens uitspuwt – dat klonk net een beetje zo –, maar we hebben eigenlijk een platform gebouwd waar je de hele implementatie op kunt doen. Je zou dus rechtstreeks contact op kunnen nemen met de netbeheerder, die zou rechtstreeks de data kunnen zien, die zou ook kunnen inschrijven: "Deze locatie is niet zo gunstig, het wordt goedkoper als je hem verplaatst." Dus we hebben daar iets voorbereidt wat de kans heeft deze hele sector-management-taak samen te voegen. En dat is iets wat
nog niet zo goed aanvaard wordt. Op de achtergrond verlopen na de beoordeling en planning van al deze locaties bij ons vrijwel altijd nog dezelfde processen als vroeger. In het kader van de digitalisering had ik ook bij de netbeheerders gewenst dat dit in de afgelopen zeven jaar, waarin wij nu op de markt zijn, al zou zijn veranderd. Dat is iets wat bijvoorbeeld nog niet is gebeurd en waarvoor wij echter wel voorbereid zijn. Men zou al deze processen ook heel goed digitaal op het platform kunnen
uitvoeren. Eigenlijk bestaan deze knoppen – ze zitten nog in het platform: "Hier de netbeheerder uitnodigen." Maar de knop zie je niet meer. In de oorspronkelijke ontwerpen was dit alles voorzien. Uiteindelijk zijn wij van destijds zeven stappen nog altijd in de eerste twee stappen. De anderen zijn allemaal voorbereid. Ik geloof dat mij op de Hoofdstadconferentie een keer een CPO heeft gevraagd of wij niet ook netbeheerders weer zouden kunnen uitnodigen. Dat
zou mooi zijn als dat zou beginnen. Dus aan alle netbeheerders daarbuiten: Wij zijn klaar. De use-case zou zijn dat de netbeheerder zich inlogt en vervolgens gegevens uit de netten invoert – dat hoeft hij niet eens. Er was een tijd waarin netbeheerders zeer veel aansluitingsaanvragen ontvingen, omdat de CPO's zeiden: "Ik moet nu vijf locaties realiseren, ik vraag voorsorteert ik bij de netbeheerder gewoon 50 aan en zoek dan de locaties eruit die het snelst realiseerbaar zijn." Dat doet
ook de netbeheerder pijn, als hij 50 aansluitingsaanvragen verwerkt, maar slechts vijf opdrachten krijgt. Normaal gesproken kent een netbeheerder dit bedrijf helemaal niet, want als iemand een netaansluitingsaanvraag voor een gebouw of supermarkt doet, dan wordt het 100% gebouwd. Er zijn geen keuzemogelijkheden bij de netbeheerder. Maar op het gebied van e-mobiliteit en batterijen heeft een netbeheerder ineens blindvermogen om te verwerken, omdat hij gewoon aanbiedingen moet verwerken die niet tot opdracht leiden. En dat zou de netbeheerder ook
werk besparen. Katrin heeft het net al aangehaald, dat wij een proces zoals een niet-bindende netaansluitingsaanvraag zouden toejuichen. Het zou geweldig zijn als men via een platform als Localizer gewoon niet-bindend een locatie bij de netbeheerder zou kunnen aanvragen. De netbeheerder zou dat snel kunnen beantwoorden, hoeft het niet bindend te maken, hoeft het vermogen niet in zijn netwerkprogramma toe te wijzen. En onze klanten, de CPO's bijvoorbeeld, zouden blij zijn als zij gewoon een duim omhoog of duim omlaag of zo'n –
ik weet niet precies, ik zou het beter moeten analyseren – informatie zouden ontvangen. Dat is alles voorzien. Maar wij hebben niet alleen 12 netbeheerders in Duitsland, maar een paar meer, en daar is het natuurlijk niet zo gemakkelijk om zo'n proces op gang te brengen. Mijn utopische visie zou zijn dat men deze volledige gegevens van de distributienetwerken ooit echt in real-time beschikbaar zou hebben – niet alleen de capaciteiten van de kabels, maar ook de werkelijke historische gegevens van elk 15-minuten- of
real-time-slot – en dat dat voor iedereen beschikbaar zou zijn en ermee gepland zou kunnen worden. Voor de projecten zou voor iedereen efficiëntie ontstaan. Maar dat zou ergens stap tien ooit in jullie software zijn. Je hebt gevraagd naar de aha-momenten. En dat is eigenlijk een aha-moment: ik had niet gedacht dat het zo lang zou duren. Wij hebben namelijk nog steeds niet – wij hebben nog steeds
niet de oplossing. En wij hadden dat al zeven jaar geleden, het idee. Dus, dat heeft mij echt verbaasd. Een ander aha-moment was dat wij aanvragen ontvangen en verwerken. De klanten rekenen dan locaties door. En alleen door toeval merken wij dat dezelfde locaties ook door andere klanten zijn verwerkt. Wij kijken niet, of wij kunnen niet eens alle locaties meer bekijken die door onze klanten worden geanalyseerd. Elk klantproject is ook vertrouwelijk. Maar wij hebben opgemerkt dat soms
één en dezelfde locatie door verschillende actoren is beoordeeld. En daar gebeuren al zeer spannende dingen. Ik zou nu graag meer vertellen, maar de spanning stijgt. Ja. En welke rol speelt AI? Dat staat ook overal in de aandacht. Heeft dat voor jullie ook impact? Gebruiken jullie AI, of willen jullie dat gebruiken? Ja, dus het antwoord is duidelijk. Ja, wij gebruiken nu al AI en ook machine learning. AI heeft een groot voordeel bij het verwerken van grote hoeveelheden gegevens, en dat is het punt waar wij AI
momenteel inzetten. Bij de eigenlijke locatieprognose, wat nu de bepaling van kilowattuur betreft, zijn wij nog voorzichtig, want AI kan alleen uit het verleden leren. Maar aangezien de veranderingen in het gebruiksgedrag en in de techniek van de voertuigen zich zo sterk hebben ontwikkeld, zouden wij quasi het gebruiksgedrag en de oude techniek in de toekomst projecteren. En daar zie ik op dit moment nog grenzen. Dus, als je jezelf voor ogen stelt: niet eens tien jaar geleden hadden veel e-voertuigen in de winter minder dan 100
kilometer bereik. Dat kun je je tegenwoordig nauwelijks nog voorstellen, maar zo was het. En als je dan moest laden, was je blij als je een 50-kW-zuil had gevonden. En vandaag, heb ik al verteld, hebt men laadstress, omdat je met de 800-V-auto in 20 minuten de batterij alweer vol hebt. Ja, en daarom controleren wij quasi regelmatig de grenzen van AI. En ik geloof dat het belangrijkste eigenlijk is deze grenzen
te leren en vervolgens steeds uit te breiden, totdat je met kunstmatige intelligentie beter bent dan wat je op klassieke manier hebt geprogrammeerd. Ik zou ook zeggen dat we kunstmatige intelligentie als gereedschap gebruiken, net zoals we ook Python als gereedschap gebruiken. Maar in ons model zit nog steeds een fundamentele analyse en een fundamentaal algoritme van dingen die we weten, die we kunnen aanpassen en die kunstmatige intelligentie niet heeft uitgevonden. Dat is hoe we het gebruiken. Ja, dat is vanuit twee richtingen zinvol. Aan de ene kant kunnen we op deze manier onze ervaringen gemakkelijker
inbrengen. We hebben ook grote analyses voor de Duitse regering gedaan, voor het Verkehrsministerium en voor de nationale controlekamer. Deze LISTE-2030-studies zijn sommigen van jullie bekend. Jullie kunnen daar even in het colofon kijken – daar staat dan het logo van het REI, en ook collega's van Localizer. Het is dus erg belangrijk om deze informatie in te voeren. Destijds mochten we 80 procent van de Duitse voertuigenmarkt ondervragen. Het Verkehrsministerium had de laadstationexploitanten naar het ministerie uitgenodigd, en we konden onder toezicht van kartelverdachtenadvocaten de autofabrikanten
ondervragen. En die hebben hun productieplanning gegeven: welke batterijcapaciteiten, welke hoeveelheden, welke laadvermogens de toekomstige voertuigen zouden hebben. En het is momenteel nog op klassieke wijze eenvoudiger om deze informatie in het algoritme in te voeren. Een ander aspect is dat onze klanten niet in een black box willen kijken, waaruit simpelweg maar een kilowattuurwaarde komt, waarop je dan moet vertrouwen, omdat klanten zeer uiteenlopende bedrijfsmodellen hebben. Als je bijvoorbeeld een supermarktparkeerplaats zou nemen, dan kun je die analyseren en zeggen, er wonen ongeveer
3.500 inwoners in een straal van 500 meter rond deze supermarkt. Die zouden theoretisch op de supermarktparkeerplaats kunnen laden. Maar als die begrensd is of om verzekeringsteknische redenen je in het weekend of op zondag daar helemaal niet kunt laden, valt dat deel al weg. Maar we weten helemaal niet of er misschien over een half jaar bij de supermarkt een verandering plaatsvindt en de bewoners daar dan toch kunnen laden. Of kijken we alleen naar de particuliere parkeerplaats? We maken dat via ons algoritme eigenlijk erg, erg
transparant, zodat onze klanten zelf kunnen bepalen welke van deze energieprognoses of aandelen passen bij hun respectievelijke bedrijfsmodel. Ze kunnen het aanpassen, en ze kunnen ook de elementen eruit pikken die bij hun bedrijfsmodel passen. En als een gemeente of een supermarkt niet de autobaanbestuurders van de autoweg wil lokken en ze via het kleine stadje naar de supermarkt wil leiden – omdat de burgemeester dat misschien niet wil –, dan wordt gewoon die kolom van de energie niet meegenomen. In het bedrijfsmodel wordt
dan ook niet zoveel reclame gemaakt. En van de supermarkten heb ik nog een anekdote die ook duidelijk maakt waarom we nog steeds een zo fundamenteel model goed vinden. We hadden een grote klant in Duitsland met heel veel filialen. En die hadden al hun eigen gedachten gemaakt over welke filialen waarschijnlijk aantrekkelijker zouden moeten zijn voor mensen met elektrische auto's. En ze hadden bijvoorbeeld de stelling dat de filialen die een hoog percentage biologische producten hebben, dus ander assortiment, omdat ze hun klantenbestand en
hun assortiment heel goed kennen, dat die een hogere waarschijnlijkheid hebben dat ook mensen met elektrische auto's ervoor parkeren. Dus supermarkten weten buitengewoon veel darover wie bij hen winkelt, en hebben hun eigen idee dat dat correleert met het gebruik van het ene of andere vervoersmiddel. Dat zijn enorm belangrijke informatie voor zo'n bedrijf. Een kunstmatige intelligentie die dezelfde analyses over iedereen uitvoert, zal dat niet ontdekken. En omdat we deze ervaring keer op keer hebben en omdat we ook onze klanten willen ermögelijken dat in te bouwen, is
het fundamentale model gewoon het beste. En kunstmatige intelligentie – ja, die is bij ons aangekomen, omdat het gewoon een geweldig gereedschap is. Oké, spannend. En wat betreft positionering op de markt: ik neem aan dat er concurrenten zijn zoals bij elk bedrijfsmodel. Hoe onderscheiden jullie je? Wat zijn jullie unique selling propositions? Nou, toen we startten, waren er ook al concurrenten. En in die fase die we eerder beschreven hebben, waarin we economisch onzeker waren, wisten we niet dat we te vroeg waren. We
hadden ook het idee dat we misschien te laat waren. Het klinkt op de een of andere manier vreemd. Vandaag is het duidelijk dat we eenvoudig onze tijd wat vooruit waren. Maar destijds wisten we niet of we te vroeg of te laat waren. Er waren destijds ook al twee, drie partijen. Deze partijen bestaan vandaag allemaal niet meer. Ik geloof dat één een heel ander model doet. Die is uit het onderwerp laadinfrastructuur weg. Die heeft, geloof ik, vorig jaar bij ons aangeklopt of hij onze service nog eens kon kopen, omdat hij het veld had verlaten. We hebben dus veel zien komen en gaan in die tijd. En er zijn nu – ik schat minder dan een handvol – die zo gespecialiseerd zijn in Europa. In heel Europa, ja.
Die zo gespecialiseerd zijn. En wat onderscheidt ons? We hebben al heel veel kennis van laadinfrastructuurplanning. We doen dit niet alleen omdat je het met gegevens kunt doen. Met gegevens kun je veel doen, kun je
Hondenvoer verkopen, of u kunt natuurlijk ook laadinfrastructuur plannen. Maar wij komen toevallig uit die sector. We weten alles over de klantschap, de stakeholders, de techniek erachter en zo verder. We hebben dit met deze kennis opgebouwd. Dat onderscheidt ons. En dan hebben we ook nog een goede oplossing. Als je naar het platform kijkt – dat doen veel van onze klanten ook in vergelijking met andere platforms –, dan krijgen we regelmatig de feedback dat we gewoon een zeer gebruikersgeoriënteerd platform hebben gebouwd
dat goed aansluit bij hun wensen. Dat komt doordat we het samen met onze klantschap veel hebben ontwikkeld. We hebben 14 personen in ons team. Velen van hen rijden zelf ook een e-voertuig. Naast mij is er nog een ander voertuigtechnicus. En ik weet niet of u voertuigtechnici kent – ik geloof dat het vrouwenaandeel daar nog wat lager is dan bij e-voertuigmensen. Daar zitten veel enthousiastelingen bij. En twee van die enthousiastelingen werken toevallig bij ons. We vinden het gewoon leuk om
het onderwerp e-voertuig gewoon uit te proberen. We doen regelmatig tests ook met het gezin – soms tot verdriet van het gezin –, maar ook in beroepscontext. Ook in het buitenland lenen we voertuigen en testen we gewoon de laadinfrastructuur. We doen dat al jaren. En al die informatie vloeit daar natuurlijk in. We kunnen weliswaar energieprognoses maken, maar er zijn nog veel andere factoren: de prijzen van concurrenten, dynamische prijzen is nu ook een enorm onderwerp. Dit zijn allemaal factoren die we mee moeten nemen. En we
begeleiden onze klanten ook met zulke tips, trucs en adviesaanwijzingen. Het onderwerp dynamische prijzen is erg, erg interessant, ook vanuit het oogpunt van de energietransitie, dat u de verkeersstromen op basis van de beschikbaarheid van hernieuwbare energie in het net dynamiseert. Hoe schat u dit in? Kijken veel CPOs daarnaar? Gaat dit snel van start? Gaat dit veel veranderen, ook op basis van uw bisherige ervaringen – dat uw modellen dan heel erg zouden veranderen als u zulke prijzen zou hebben?
We hebben dat al voorzien. We voorzien enkele klanten ook al van prijsgegevens, die dan in hun dynamische prijssystemen terechtkomen. U kunt zich dat heel goed voorstellen: als u weet welke dagelijkse prijzen de concurrent heeft, kunt u overwegen hoe u uw eigen prijsstelling wilt inrichten. En we hebben ook API-koppelingen. Dat betekent dat onze klanten de gegevens niet alleen in ons platform in de browser kunnen ophalen, maar ook via de API kunnen ophalen en in hun
backends of in hun algoritmes kunnen invoeren, waarvandaan de gegevens naar de laadpaal gaan en de prijs bij direct betaling ingesteld kan worden. Dat betekent dat we ook al in de operationele optimalisering meewerken. Dynamic Pricing zal een enorm onderwerp worden, vanuit het behoefteperspectief. Maar we kijken toch nog een beetje door de hernieuwbare bril. Ook vanuit het productieperspectief zal het een onderwerp zijn, uiteindelijk ook via de inkoopprijs van energie. Er zijn vandaag al een paar laadpalen die daar veel reclame mee maken
Wanneer de zon schijnt, is het een paar cent goedkoper dan wanneer er geen zon is. Anderen kijken er alleen van de vraagkant naar: als er weinig aan de gang is, wordt de prijs verlaagd om klanten aan te trekken. En deze prijsvormingsmechanismen bereiden we nu voor. Maar er zijn heel grote verschillen tussen klanten. De enen kijken van de vraagkant naar gebruikers, de anderen kijken naar energie, nog anderen naar marketing. Er zal veel gebeuren. En dat is ook weer zo
een onderwerp waar ik denk: ja, als ik niet uit het vakgebied kom, kan ik de gegevens in een AI gooien. En dan genereert die daaruit prognoses. Nu komt het zo uit dat we uit dit vakgebied komen. Ik handel zelf vroeger in elektriciteit. Ik weet hoe de beurzen functioneren. Met die kennis zouden we eerder zo'n taak aanpakken dan dat we het gewoon in zo'n datamodel stoppen. Dat is wat u bij ons krijgt. We proberen ons uit de advisering te houden. Maar ik geloof dat we
ook nog steeds extreem goede adviseurs voor onze hele klantschap zouden zijn, omdat we natuurlijk ook deze managementbeslissing – dit make or buy – omdat we dat allemaal kunnen doorgronden. Ons bedrijf moet echter een Software-as-a-Service-bedrijf zijn. We moeten onszelf dus regelmatig wat reguleren en eraan herinneren dat we eigenlijk geen projecten willen doen en eigenlijk geen advisering willen, maar we willen de software zo goed maken dat zij de problemen van de klantschap oplost. Een visie die ons ook bij RiDERgy
bezighoudt, is dat u het intelligente laden tot en met bidirectioneel laden bij zoveel laadpunten mogelijk maakt. Nou, bij openbaar laden is het vooral in het snellaadesegment moeilijker dan in andere gebruiksscenario's of toepassingsgevallen. Desondanks zijn er ook bij openbaar laden – wat uw kernfocus bij Localizer is – nu ook de AC-laders, die aan de lantaarnpalen bijvoorbeeld hangen, maar ook in Nederland, geloof ik, heel veel, nog meer dan in Duitsland, heel veel AC-laders. En bij DC-laden zou je via deze
dynamische prijzen de stromen een beetje kunnen sturen. Hoe kijken jullie tegen dit onderwerp aan, en hebben jullie daar al ervaringswaarden? En denken jullie dat dit veel zal veranderen wanneer u in staat bent om te laden wanneer er veel hernieuwbaren zijn, en wanneer bidirectioneel laden mogelijk en gemeengoed is? Nou, het potentieel is enorm. In mijn tweede studie heb ik precies over dit onderwerp mijn masterscriptie geschreven. Dat is nu al enkele jaren geleden – dus over bidirectioneel laden. En het is
Dat is een beetje hetzelfde als het onderwerp netwerk dat we eerder hebben aangesproken. Je kunt je eigenlijk niet voorstellen waarom het werkelijk zo lang duurt om dat echt in de praktijk om te zetten. Maar het zal gebeuren – daar zou ik het woord 'Game Changer' gebruiken. Dus, als voertuigen werkelijk energie terug kunnen voeden, dan is dat een Game Changer. Misschien nog bij RiDERgy: de overgang naar Katrin hebben we al – dus projecten uitgevoerd. Een project bijvoorbeeld met Deutsche Post en netbeheerder Edis. Ik geloof,
de vijfde grootste netbeheerder in Duitsland, behoort tot de E.ON-groep, Edis, in Brandenburg. Precies – daar hebben we het al voor elkaar gekregen dat we de laadprocessen van Deutsche Post testgewijs konden sturen vanuit het bedieningscentrum van de netbeheerder. De stroom is niet teruggevoeid, maar je kon eigenlijk door de netbeheerder de laadprocessen sturen. Technisch is dat allemaal mogelijk. Maar het punt is, geloof ik, de regelgeving.
Goed, dan nog een keer: hebben jullie ook geografische verschillen ontdekt in wat jullie doen? Dus ik neem aan dat jullie de focus op Duitsland hebben, maar zoals jullie zeiden, begeleidden jullie ook geografisch zeer verschillende regio's. Zijn er daar ook interessante bijzonderheden of gegevens? Ja, als we bijvoorbeeld een klantproject in Zweden of Noorwegen activeren voor een Duitse klant die daar op de markt wil en die ons dan vraagt: 'Hé, jullie hebben daar boven in dat parkeergarage ergens een fout
gemaakt. Er zitten 500 laadpunten in.' Dan zeggen we: 'Nee, dat is geen fout. Die staan daar echt.' En elk land heeft verschillende opbouwcurven bij ons, en wel meerdere – een conservatief en een progressief scenario. En wat echt belangrijk is, wat eigenlijk heel banaal klinkt, maar wat ook grote advieskantoren soms niet goed doen: je moet natuurlijk bij de opbouwcurven altijd de huidige registratieaantallen in acht nemen. We hebben al prognoses gezien waarbij meer elektrische voertuigen in de toekomst worden geregistreerd dan vandaag totale voertuigen per maand worden geregistreerd. Dat
zou betekenen dat de voertuigaankoop zo toeneemt – en dat zien wij niet zo. En dat is in de verschillende landen in Europa erg sterk verschillend. Holland ligt bijvoorbeeld bij de registratiepercentages voor ons. Duitsland zal Holland echter inhalen, omdat het aantal nieuwe voertuigen eenvoudig hoger is. En dan elektrische vrachtwagens – daar zou al aandacht voor zijn geweest, geloof ik. Dat zou nog een interessant onderwerp zijn dat geloof ik nu erg in trek is. Hoe kijken jullie naar het onderwerp elektrische vrachtwagens? Wat
verandert dat voor jullie, of in hoeverre is dat voor jullie relevant? Dus je gaat in de kaart bij ons, maakt een rechtermuisklik en zet een vrachtwagenlocatie neer. En dan klik je er nog een keer op en zeg je: 'Berekening starten.' En dan worden in het vrachtwagengedeelte megawattuur per jaar weergegeven, ook tot 2035, voor verschillende laadvermogen – dus voor het laden 's nachts en voor het snelladen.
Na vier en een half uur rijtijd moet er een pauze worden ingelast. Dan zou je met MCS, met megawatt-charging, kunnen laden. Vandaag is het vaak nog CCS-laden. We hebben het product. Dat wordt ook al verkocht. Veel klanten gebruiken dat en plannen elektrische vrachtwagenlaadinfrascructuur in Europa. Mijn vermoeden is dat het daar zelfs iets sneller gaat dan bij de personenauto. De personenauto heeft zich veel tijd gelaten met de opbouw. De voertuigen zijn daar en het gaat daar veel minder om emoties. Dus de personenautomarkt
wordt heel erg getriggerd door emoties. Vroeger wilden mensen misschien geen ander voertuig rijden, maar de Tesla, die op de een of andere manier seksiness suggereerde, omdat er heel veel acceleratievideo's op internet waren. Die heeft het onderwerp op een of andere manier in trek gemaakt. Bij de vrachtwagen is het gewoon een bedrijfseconomische berekening. En als die daar beter is, kopen transportbedrijven gewoon elektrische vrachtwagens. En ik geloof dat we daar nu zijn. Dit betekent dat het doel van, geloof ik, 30 procent tot 2030 nieuw verkochte elektrische vrachtwagens uit jouw oogpunt realistisch is. Ja,
ik geloof dat we in Duitsland goed op weg zijn. Goed. En de Electrotrucker toont het in zijn video's aan: de CCS-laadpalen, die oorspronkelijk meer voor personenauto's waren bedoeld, passen ook qua standplaatsgrootte. Zien jullie dat ook zo, dat er uiteindelijk geen behoefte aan is of niet zoveel MCS-laders nodig zijn? En nog een keer voor de luisteraars misschien, die niet weten: megawatt-charging betekent dat je boven de 1.000 kW kunt laden,
in vergelijking met CCS met typisch 350 tot 400 kW. Ja. Het voordeel van MCS is dit hoge laadpiek. Het hoge laadpiek wordt echter niet van 0 tot 100 procent SOC doorgereden. Dit betekent dat de MCS-lader zijn voordeel heeft wanneer je bij een laag SOC even kort wilt laden. Als je toch langer staat, nivelleren de dingen zich weer uit. Ik heb bijvoorbeeld een 800-V-voertuig, een Kia. Als ik op een laadpaal laad die misschien
maar 150 kW vermogen heeft, terwijl het voertuig 240 kW kan laden, dan wordt het laadvermogen op een snelle lader na 50 procent SOC afgekoppeld, omdat de batterij eenvoudig te heet wordt, en gaat dan ergens naar 100 kW. Maar als ik op een lader sta die maar 150 kW kan leveren, dan wordt de batterij in de beginfase niet zo heet. En de 150 kW worden tot in het hoge SOC-bereik doorgevoerd. Dit betekent dat, effectief gezien de tijd, als ik lang sta, de 150
kW-lader bij veel voertuigen eigenlijk niet veel langzamer is dan de lader die met 300 kW laadt. Dat biedt echt alleen voordeel als ik echt maar 10 minuten laad. En waarschijnlijk is het bij de vrachtwagen ook zo. Je moet het een beetje volgen. De MCS-technologie is aanzienlijk duurder dan de andere technologie. Je hebt ook een ander stekkertype, dat is driehoekig. En je moet zien of dat in bedrijf echt dit voordeel oplevert, als de vrachtwagenchauffeurs echt heel kort laden. En daar ben ik
benieuwd. Misschien heb je die collega op een keer aan boord. Dan luister ik naar zijn podcast nog een keer. Ja, binnenkort hebben we al een podcast waar we daar gedetailleerder over spreken. Maar het zou me interesseren of jullie daar een sterk standpunt over hebben. Er zijn twee gebruikssituaties, die jij zojuist ook hebt genoemd: het korte laden na 4,5 uur bedrijf in de pauze, en dan staan de e-vrachtauto's 's nachts
eigenlijk stil. En daar volstaat ook een heel langzaam laden. En het is ook grappig dat jij zojuist hebt gezegd "slechts 150 kW", want vijf jaar geleden zouden we hebben gezegd: "Wow, 150 kW, geweldig!" En daar werden de eerste nog hogere gebouwd, en wij dachten: "Wat zijn dat voor waanzinnige vermogenswaarden?" Nu zeg je "slechts 150 kW". Dus, we komen natuurlijk, als je aan de kant van de elektrotechniek en de stroominfrastructuur staat, op enorme onderwerpen
te spreken. Het is niet wat wij bij Localizer doen, maar dat is wat wij bij RLI dan weer zouden doen. Dus de vraag: Wat betekent dat voor de elektriciteitsnetwerken? Het RLI heeft bijvoorbeeld in opdracht van de BVG hier in Berlijn samen met het Öko-Institut een studie gemaakt over de opschaling van elektrische mobiliteit binnen de vrachtauto's die in Berlijn rijden. Dus: wat hebben zij voor gebruikssituaties voor laden? Waar gaat dat plaatsvinden? En dan kom je dus ook op flinke hoeveelheden stroom,
die dan beschikbaar gesteld moeten worden, niet alleen aan de kilowatt-kant, maar ook aan de kilowattuur-kant. Heb je dat toevallig in gedachten? Ergens meer dan 20.000 e-vrachtauto's die we in de komende vijf of tien jaar verwachten. Ik wil niets verkeerd zeggen. En dan gaat het vooral om: waar staan die eigenlijk? Er zijn veel bedrijven die hebben opslagruimten. Wij gaan dus sterk uit van het idee dat daar soort depotladen ontstaat. Dan is de volgende vraag: mogen daar misschien
ook anderen laden? Want je moet erover nadenken: veel bedrijven zetten hun voertuigen op straat. Maar het is niet de bedoeling dat elk van deze voertuigen daar dan kan laden. Dus kunnen zij misschien iets delen? Het gaat ook om dit depot delen al voor te bereiden, wat dan nodig wordt om de openbare plekken te ontlasten. We sluiten af. Welke onderwerpen houden jullie nog bezig respectievelijk in de toekomst, waarover jullie al graag wat inzicht willen geven?
blij als jullie al graag wat inzicht willen geven.
Ja, we hebben ze eigenlijk al besproken. We hebben nu echt geweldige operationele gegevens erin. Dus de bezettingsgraad van bestaande laadpunten kunnen we zien in aantal, in procentueel tijdsgebruik en ook in kilowattuur. Je kunt gewoon kijken hoe goed een laadpunt op straat presteert, en daarnaast eigenlijk de prognose stellen. Je kunt je eigenlijk geen beter gereedschap voorstellen. Daarbij nog de laadprijzen, dagelijks bijgewerkt. Dat is de huidige stand. En als we naar de toekomst kijken, heb ik nog steeds niet
de hoop opgegeven dat we met de integratie van de netbeheerders daar echt ver mee komen. Omdat het oorspronkelijke doel – en als je de boog naar Reiner Lemoine trekt – we willen de energietransitie schaalbaar maken. De hernieuwbare energiebronnen moeten erin. Het net is eigenlijk het ruggengraat van de energietransitie, en die te integreren, dat zou mijn droom zijn. Maar ik geloof dat ik daar nog 12 maanden geduld voor moet hebben. En wat daarnaast leuk is, is de expansie naar andere landen.
Nog meer klanten die ook naar landen willen gaan waar we al zijn, of ergens een nieuw land beginnen, weer wat nieuws leren, ook over de genoemde verschillen die daar bestaan. Zoiets geeft me energie. Cool. Ja, dan hebben jullie tot slot nog een laatste zin, of hoe men contact met jullie kan opnemen, wat jullie de luisteraars willen geven. Het opnemen van contact is heel eenvoudig. Je gaat gewoon naar onze website en vraagt een demo aan. Dan kun je twee weken
lang gratis testen. Je hebt vriendelijke collega's bij ons. We nemen veel tijd voor de onboarding, rekenen daar samen met jullie een paar locaties door. En dan kun je het geschikte gereedschap voor jezelf gewoon uitproberen en boeken.
Precies zo ziet het er bij Localizer uit. En bij het RLI is het zo: we verheugen ons altijd op gezamenlijke projectontwikkeling of een opdracht. Dus als iemand zegt: ik heb dit automatische gereedschap helemaal niet nodig, ik wil een project uitvoeren, ik wil meer leren over de elektriciteitsnetzen – hoe ontwikkelen die zich, wat zijn mogelijke scenario's voor de energietransitie in mijn bedrijf ter plaatse enzovoort – dat zijn dingen die we met onze technisch-wetenschappelijke methoden kunnen aanpakken. We kunnen een studie schrijven, we kunnen
een gereedschap daarvoor bouwen, software ontwikkelen. Daarvoor zijn we bij het RLI graag aanspreekbaar. Dat vind je ook op het web onder rli-institut.de. Dan hartelijk dank voor het gesprek. Ik wens jullie weinig laadstress en tot ziens. Dank je wel. Tot ziens. Tot ziens. En dat was weer een aflevering met Katrin en Oliver van Localizer. Bijzonder interessant vond ik hoe ze hebben besloten om deze spin-off te doen. Dat is echt niet zomaar iets. En het Reiner Lemoine Instituut heeft inderdaad niet zoveel verdere spin-offs gedaan. Dat betekent dat
ze ook intern veel goedkeuring moesten krijgen, en die spin-off-debatten, of het nu het juiste zou zijn, ook voor zo'n instituut een startup te starten – dat de argumenten daar in elk geval doel bereikt zijn, naar mijn mening, dat is duidelijk. En daarnaast vond ik interessant hoe al veel CPO's Localizer gebruiken en dat ze bijna de enige op de markt zijn die zo groot zijn geworden, en hoeveel gegevens ze verweken – beginnend bij de gegevens van de laadpunten, maar zoveel meer – en wat ze ook
nog veel voor te hebben, met name om de werking van laadpuntexploitanten te optimaliseren, wat voor hen het allerbelangrijkste is, en vooral de netaansluitingen te versnellen en de netbeheerders nog meer erbij te betrekken – een cool visie die zij van het begin af aan hebben en nu consequent uitvoeren. En wat niet ter sprake is gekomen, is overigens dat zij ook veel met waterstof te maken hebben. Dus als jullie meer willen leren, dan melden jullie je graag bij hen aan. En mocht je deze aflevering leuk vinden en denk je dat iemand anders er ook wat aan kan hebben, deel je hem graag
delen, graag reacties geven en tot ziens.
Welcome to the Smart Charge by RiDERgy Podcast. This is Claudio Geyken, Founder and CEO of RiDERgy. This is your show to learn about all things energy management and smart charging innovation for electric vehicles and fleets.
Willkommen bei Smart Charge, dem Podcast für alle, die Ladeinfrastruktur datenbasiert denken. Heute zu Gast ist das CEO-Duo von Localizer: Professor Dr. Katrin Goldammer und Oliver Arnhold. Localizer ist ein Berliner Spin-off des Reiner Lemoine Instituts, gegründet 2018, und entwickelt eine Plattform, mit der Kommunen, Energieversorger und CPOs Ladestandorte schneller identifizieren und planen können. Katrin ist Co-CEO von Localizer und zudem Professorin an der HTW Berlin. Sie bringt Forschung, Praxis und Unternehmertum zusammen. Oliver ist Co-CEO und Mitgründer. Gemeinsam treiben beide die Skalierung von datengetriebener Standortplanung in
Deutschland und darüber hinaus voran. Localizer analysiert inzwischen mehr als 1,2 Millionen potenzielle Standorte und gilt als erste DSGVO-konforme Planungssoftware für Ladeinfrastruktur. In dieser Folge sprechen wir darüber, wie Daten Bauchgefühl bei der Standortwahl ersetzen, wie Kooperation mit Städten und Versorgern beschleunigen, und was als nächstes auf der Roadmap von Localizer steht. Kopfhörer auf, Ladezustand checken und los geht's. Schön, dass ihr heute dabei seid. Wie geht's euch? Mein erster Podcast auch zu dritt. Ich bin voller Vorfreude. Ja, danke schön. Geht uns gut. Vielen Dank für die
Einladung. Ja, danke schön. Bevor wir durchstarten mit Localizer und dem RLI, könnt ihr euch vielleicht mal kurz persönlich vorstellen. Was war euer Hintergrund? Wie seid ihr dazu gekommen, zum RLI? Also, mein Name ist Katrin Goldammer. Ich bin die Geschäftsführerin des RLI. Das RLI ist ein Forschungsinstitut. Das heißt Reiner Lemoine Institut und ist in Berlin. Wir machen da Technikforschung rund um die Energiewende. Und weil wir Energiewende in allen Sektoren wollen, haben wir auch immer schon Mobilitätsthemen gemacht. Wie bekommt man erneuerbaren Strom ins Auto,
in die Logistik und so weiter? Ich habe mal Elektrotechnik studiert und wurde in Physik promoviert, habe dann aber schnell in der Energiewirtschaft gearbeitet. Kraftwerke gemanagt, Strom gehandelt. Dann habe ich noch Energiepolitikberatung gemacht und über verschiedene Wege bin ich zum RLI gekommen. Und aus dem RLI heraus haben dann Oliver und ich 2018 Localizer gegründet. Unser erstes Startup, mit dem Hintergrund dieser Erfahrung aus dem Forschungsinstitut und mit dem Wissen, wie man Projekte machen kann, die wir dann aber schneller machen wollten. Die Idee vom Startup
war eben, Skalierbarkeit reinzubringen in den Beratungsteil, den wir am RLI schon eine Weile geübt hatten. Interessant. Noch zu ergänzen? Ja. Mein Name ist Oliver Arnhold. Ich bin mit Katrin Geschäftsführer von Localizer, habe vorher auch am RLI gearbeitet, war sogar ab April 2010 einer der ersten Mitarbeiter. Wir sind mit fünf Personen gestartet und haben das RLI dann wahnsinnig stark aufgebaut. Und vor meiner RLI-Zeit habe ich mal Fahrzeugtechnik studiert und noch erneuerbare Energien. Ich war selber mal in der Autobranche, durfte am ersten Plug-in-Hybrid eines deutschen Autoherstellers
mitentwickeln und hab mich damals gefragt, wieso dieses Fahrzeug mit zweieinhalb Tonnen Gewicht nur zweieinhalb Liter Kraftstoff verbraucht. Es war natürlich noch der elektrische Teil. Und als Fahrzeugtechniker hat mich der elektrische Teil interessiert. Wie kommt diese elektrische Energie da in die Bilanz rein? Und das war quasi die Motivation, erneuerbare Energien zu studieren. Das war der Einstieg in die Energiewende- und Verkehrswende-Themen. Und so bin ich dann zum RLI gekommen. Interessant. Und die Gründung des RLI war so um 2010 herum. Wie kam die Gründung? Wie entstand
das dann? Das RLI wurde gegründet von der Reiner Lemoine Stiftung, also von einer gemeinnützigen Stiftung, die schon einige Jahre vorher gegründet wurde, nämlich kurz nach dem Tod von Reiner Lemoine. Das war ein Berliner Ingenieur, der sein Leben den Erneuerbaren verschrieben hatte. Er wollte im Grunde seine Kenntnisse einsetzen für eine bessere Welt. Und dann hat er das erst gemacht, indem er mit seinen Freunden zusammen Elektronik entwickelt hat für Windkraftanlagen und so weiter. Und dann – dafür ist er auch etwas bekannter – diese zwei großen deutschen Solarunternehmen
in den 90ern gegründet: Solon und Q-Cells, die beiden. Ja, er war mit beteiligt bei diesen beiden Gründungen. Und er war auch beteiligt bei den Börsengängen dieser beiden Unternehmen und ist dabei reich geworden, wusste aber, dass er leider krank ist und sterben wird. Und er hat dann sein Geld in eine Stiftung gegeben, das ist eben die Reiner Lemoine Stiftung. Er hat quasi noch die Gründung dieser Stiftung miterlebt. Und die Stiftung hat ein paar Jahre vor dem Institut angefangen, hat erst mal Promotionsstipendien ausgegeben, hat also auf
diese Weise versucht, das Lebenswerk von Reiner weiterzuführen, und hatte dann die Idee, dass man das mit einem Forschungsinstitut auch gut machen kann. Jetzt ist es so, dass sie das Institut gegründet haben, es aber nicht hauptsächlich finanzieren. Wir finanzieren uns über Drittmittelprojekte. Wir bekommen jedes Jahr eine Förderung über die Stiftung und müssen ungefähr 95 % über Drittmittel organisieren. Das heißt, wir machen sehr viel wettbewerbsorientierte Forschungsförderung. Wir machen auch Beratungsprojekte. Und deswegen sind wir, glaube ich, auch gut darin gewesen, immer zu überlegen, was so der
Markt? Also welche Kenntnisse haben wir, die andere Leute gebrauchen können? Und mit so einem Mindset sind wir damals unter anderem auch auf unsere Stiftung zugegangen und haben gesagt: Könntet ihr euch vorstellen, eine Ausgründung zu unterstützen? Eher so wie Friends and Family, also nicht als große Investoren. Aber könnten wir vielleicht zusammen aus einer guten Idee aus dem Institut heraus eine Firma gründen? Und daraus ist dann Localizer geworden. Interessant. Und die Aspekte, die ich auch interessant fand: Deine Vita ist – ich bin selbst Maschinenbauer und am KIT
beispielsweise gab es auch wenig Frauen, die sich für Elektrotechnik oder Maschinenbau interessiert haben. Was hat dich motiviert? Und wie siehst du auch das Thema Frauen in Deutschland? Wieso gibt es noch nicht so viele, die Maschinenbau oder Elektrotechnik studieren? Und was kann man machen, damit es mehr solche Personen gibt wie du? Also, ich habe damals in der Schule mitbekommen, wie schlecht die Statistik ist. E-Technik ist eines der Fächer, wo der Frauenanteil am niedrigsten ist. Als ich damals angefangen habe zu studieren,
waren wir irgendwie sechs Frauen auf 120 Leute, und nach dem Vordiplom eine Frau auf 60. Und ich war diese eine. Und ich habe das auch unter anderem deswegen studiert, weil ich dachte: Okay, dann muss ja einer diesen Anteil erhöhen. Das bin ja dann wohl ich. Wer soll es denn sonst machen? Dann mache ich das halt. Und ich hätte mir auch gewünscht, dass dieses Fach diverser aufgestellt ist. Und wie kann man das ändern? Na ja, man kann natürlich
den Umgang miteinander so gestalten, dass er für Menschen angenehm ist. Und ich kann auch nicht behaupten, dass es angenehm war, an der TU Berlin Ende der 90er Elektrotechnik als Frau zu studieren. Es war eben nicht so, dass das Umfeld divers, freundlich, zuvorkommend und gleichstellungsorientiert war, sondern es war diskriminierend, rassistisch und sexistisch. Und ich würde mir wünschen, dass sich diese Umstände ändern, denn dann macht es das auch attraktiver für moderne Menschen, solche Fächer zu studieren und in solchen Fächern zu bleiben. Jetzt kann ich ja
nur auf meiner Ebene darauf hinwirken. Ich kann gucken, dass die Organisationen, die ich leite, solche Werte haben. Oder ich kann, wenn ich an der HTW arbeite – da bin ich Professorin –, dafür sorgen, dass das Umfeld zuvorkommend ist für alle Menschen, die dort studieren wollen. Und so sehe ich jetzt meine Aufgabe. Aber damals in den 90ern hast du schon recht, da waren wir sehr, sehr wenige. Gut. Und wie kam es zur Gründung dann von Localizer? Wie ist die Idee entstanden?
Also, die Thematik hatten wir beim Reiner-Lemoine-Institut schon sehr, sehr lange bearbeitet. Eigentlich schon ein Jahr nach der Gründung hatten wir die ersten Aufträge aus der Wirtschaft und aus der Politik, Standortgutachten für Ladeinfrastruktur zu erstellen – aus Hessen, aus Brandenburg, aus Berlin. Und damals förderte der Bund Standortgutachten bzw. Ladeinfrastrukturkonzepte sogar noch mit 80.000 € pro Gutachten für eine Kommune. Und da konnte man sich dann ein Jahr Zeit lassen: also vorher Bewerbung, die Kommune musste erst noch eine Ausschreibung machen, dann bewirbt man sich drauf,
dann ein Jahr lang Durchführung. Also, da merkt man schon, was das für ein langer Zeitraum war und wie viel Geld dahinter steckt. Das war damals halt so. Das haben wir als Forschungsinstitut gemacht. Und wir haben aber gemerkt, dass man damit ja nicht die Energiewende wirklich tatsächlich beschleunigen kann, weil die Standortgutachten, die wir erstellt haben, aus heutiger Sicht denke ich ganz gut waren, aber sie waren nach einigen Monaten wieder veraltet. Das war damals nicht schlimm, weil der Zubau von neuen Ladepunkten war damals nicht in
der Geschwindigkeit, wie es heute ist. Damals – wir reden von welchem Jahr jetzt? 2011 war das dann so, 2011, 2012, so – das waren so die Anfänge. Damals kannten ja einige CPOs ihre Ladepunkte noch anhand der Nummer, oder kannten sogar einige User, weil so wenige Leute da geladen haben. Da hat der eine mal gesagt: „Ja, Mensch, das ist doch der Tesla-Fahrer, der Geschäftsführer von der einen Metallbaufirma, der lädt da immer." Aber das war halt damals so. Und wir hatten damals gemerkt:
Wenn wir wirklich Impact haben wollen, dann müssen wir diese Standortanalysen automatisieren und skalierbar machen. Und ich kann ja mal ein paar Zahlen nennen. Damals hat ungefähr ein Monat 10.000 bis 12.000 € gekostet, wenn wir einfach eine Geografin oder einen Ingenieur daran gesetzt haben, solche Standortgutachten zu machen. Und heute sind wir in den Kosten um Faktor 10 geringer, und die Geschwindigkeit kann man gar nicht beziffern, weil die Standortanalysen heute nicht von uns gemacht werden, sondern von der Software. Das heißt, unsere Kunden selbst machen ja die Analysen
Tag und Nacht. Und deswegen sind wir da viel, viel schneller. Und die Gründung – das war die eigentliche Frage – ist so zustande gekommen: Wir konnten in dem gemeinnützigen Forschungsinstitut nicht einfach einen Software-Vertrieb aufbauen, Software as a Service, wie wir uns das gewünscht hätten. Und daher sind wir dann an die Stiftung herangetreten und haben ihnen die Idee vorgestellt. So, und das war der Startpunkt. Okay, und die NOW und die Kommunen haben da quasi auch
eine Art Dienstleistung gefordert. Wenn ich das richtig verstanden habe: Die NOW hat da stark koordiniert, und die Mittel kamen, glaube ich, meistens vom Bundesverkehrsministerium. Es gab aber auch auf Landesebene Förderprogramme. Es gibt, glaube ich, heute sogar noch Förderprogramme für die Hardware in einigen Bundesländern. Ja, so war das. Aber aus Neugierde: Ihr habt ja viele verschiedene Projekte, Förderprogramme und andere, wie du meintest, auch Kathrin, die ihr schon betreut habt. Wie kam dann die Entscheidung? Ich glaube, nicht so viele Startups
habt ihr dann sonst ausgegründet aus dem RLI. Das war das eine gewesen. Und wie kam es dann zu dem Thema, sozusagen zu einer Ausgründung, bei anderen vielleicht nicht? Aus meiner Sicht: Ich war ja damals die Geschäftsführerin des RLI, bin ich auch heute noch. War es irgendwie die richtige Kombination aus einem super Thema, wo wir an die Skalierbarkeit geglaubt haben, und den richtigen Leuten. Also Oliver hatte Bock darauf, was Neues anzufangen, ich hatte Lust darauf, ihn zu begleiten. Und in dieser Kombination haben wir es
gemacht. Wir hatten damals auch einige Kolleginnen und Kollegen im Institut, die gesagt haben: „Könnt ihr mich damit reinnehmen?" – die wir zum Anfang dann teilweise mit übernommen haben. Es gab übrigens auch – Full Disclosure – am Institut Leute, die gesagt haben: „Ist ja komisch, was ihr da macht. Wir sind ein gemeinnütziges Forschungsinstitut. Warum interessiert ihr euch überhaupt für so eine kommerzielle Tätigkeit?" Also wir hatten da zwei Sichtweisen drauf, aber ich habe das gerne gemacht. Und unsere heutige Erfahrung würde ja sagen, es hat sich gelohnt, weil wir
eine zweite Organisation damit erschaffen haben, die ihre eigenen Mitarbeiterinnen und Mitarbeiter hat, die heute 14 Leute finanzieren kann und die zusätzlich zum Institut besteht, ohne dem Institut Projekte wegzunehmen. Das skalierbare Geschäft ist etwas anderes als die Forschung und die Beratung, die wir weiterhin aus dem RLI machen. Dieses Spannungsfeld, was du gerade erwähnt hast, finde ich auch spannend. Könnte man vielleicht auch kurz darauf eingehen. Es gibt, glaube ich, in der Wirtschaft – Unternehmer haben da für sich natürlich die Antwort gefunden, warum
es Sinn ergibt, ein Unternehmen zu gründen. Aber es gibt ja schon einen großen Teil der Gesellschaft, der bei der Wirtschaft immer ein bisschen kritischer ist: „Die suchen ja nur nach Profit" und so weiter. Ihr seid ja dann wirklich irgendwo dazwischen in diesem Spannungsfeld gewesen. Wie habt ihr das dann gemacht? Was waren so die Argumente, die dazu geführt haben zu sagen: „Okay, es ergibt auf jeden Fall Sinn, ein Startup zu gründen"? Also ich kann dir die Argumente sagen, und ich sage gleich dazu, dass sie
auch nicht alle Leute bei uns überzeugt haben. Also du kannst als Argument sowas sagen wie: „Guckt euch den Reiner Lemoine an. Das Geld, das in seine Stiftung gegangen ist, kam aus seiner unternehmerischen Tätigkeit. Das kam nicht aus seiner gemeinnützigen Welt davor, sondern das kam aus der unternehmerischen Tätigkeit. Und wir sind froh, dass es die gab, denn das hat die Stiftung ermöglicht, und das hat auch das Institut ermöglicht." Hat nicht alle überzeugt, aber das könnte man als allgemeines Argument anführen. Und es gibt aber auch den
Aspekt, den ich damals in meiner Leitungsrolle wichtig fand: Ich wollte das Institut weiterentwickeln, ich wollte auch die Leute weiterentwickeln, und ich fand es lohnenswert, dieses Experiment zu wagen. Und ich denke, wenn Lösungen in der Wirtschaft funktionieren, dann ist das auch wie eine Art Ritterschlag, weil die Unternehmen wollen natürlich wirtschaftlich tätig sein. Und wenn wir die Energiewende wirklich schnell hinbekommen wollen, dann brauchen wir diese Skalierbarkeit. Und da kann das nicht an Einzelunternehmen hängen, sondern dann muss man quasi die ganze Wirtschaft oder sozusagen etwas aktivieren,
dass die ganze Wirtschaft möglichst schnell arbeitet. Wir haben heute 20.000 Standortbewertungen auf unserer Plattform pro Woche. 20.000 Standorte werden untersucht in Europa. Und da merkt man ja, dass man das mit klassischer Forschungs- und Beratungsarbeit händisch oder in Persona gar nicht machen kann. Und jetzt einen Schritt zurück, um das Problem wirklich zu beleuchten, was vielleicht für euch natürlich sehr klar ist, aber für jemanden, der jetzt nicht drin steckt: Was ist das eigentliche Problem, weshalb man auch eure Lösung braucht? Also,
wenn man Eigenheimbesitzer ist und ein Elektrofahrzeug hat, dann ist es irgendwie ein No-Brainer, sich eine Ladesäule oder eine Wallbox an die Wand zu schrauben. Bei Unternehmen, bei Fuhrparkflotten, ist das auch relativ einfach. Aber die Unsicherheit entsteht dann, wenn es um öffentliche Ladebedarfe geht oder um Ladebedarfe, die auf Plätzen entstehen, die öffentlich zugänglich sind. Und diese Unsicherheit nehmen wir den Investoren. Das ist eigentlich die Grundmotivation. Verstehe. Das heißt, die Unsicherheit besteht darin, wo man diesen Ladepunkt installieren sollte. Genau, und auch
welche Ladeleistung dann passend ist, weil die Ladeleistung muss ja zum Aufenthaltsort passen. In der Anfangszeit der Elektromobilität gab es noch den Begriff der „Ladeweile". Das sollte beschreiben, dass man einfach viel zu lange irgendwo ist und sich die Zeit vertreiben muss. Mir ist es persönlich schon so gegangen, dass man Ladestress hat, weil das Auto so schnell lädt und man die Familie am Rasthof gar nicht so schnell durch die Toilette und durchs Restaurant schleusen kann. Und dann noch die Blockiergebühr oben drauf.
kommt. Genau so. Das heißt, die Ladeleistung muss zum PUI passen, und das klingt banal, aber in der Praxis ist es gar nicht so einfach. Das heißt, wir untersuchen die Standorte, geben Empfehlungen für die Ladegeräte, also Ladeleistungen, und können auch die Energiemengen, die die CPOs dann verkaufen können, abschätzen, also in Kilowattstunden pro Jahr bis 2035. Das ist natürlich sehr spannend für den Ladepunktbetreiber und für seine Wirtschaftlichkeitsberechnung besonders wichtig. Und da gilt dann: Lage, Lage, Lage, ne? Das ist ja
bei Immobilien immer der Fall, und so ist es ja dann bei euch auch. Und was macht diese gute Lage aus? Was sind so die Top drei, wenn man so will, oder mehr, wenn ihr mehr erwähnen wollt, an Faktoren? Wie viel Zeit haben wir? Puh, da muss ich kurz nachdenken. Also, die Faktoren sind unterschiedlich für die verschiedenen Leistungsklassen. Ich habe gerade noch einen Call, wo es um Lkw-Laden geht. Das ist natürlich ganz anders als beim Laternenladen. Ich wünschte mir zum
Beispiel an manchen Stellen einen Laternenlader, wo ich nicht diesen Ladestress habe. Mit 3,7 kW kann man ja schön über den ganzen Tag laden. Also, ich glaube, die Hauptfaktoren sind: Man muss auf die ortsansässige Bevölkerung schauen – welche Ladebedarfe entstehen durch die ortsansässige Bevölkerung. Man muss sich die Points of Interest anschauen, zum Beispiel Supermärkte, und man muss sich den Verkehr anschauen. Das sind so die drei Kategorien. Vielleicht fangen wir so erst mal an, in Kategorien zu denken. Und dann kann man das in den Kategorien natürlich beliebig detailliert
machen. Und was dann noch ganz wichtig ist, ist natürlich, den Wettbewerb zu berücksichtigen. Damals, als wir gestartet sind, gab es nicht so viel Wettbewerb. Da hat die Analyse, die wir auf Papier ausgedruckt haben, ein paar Monate standgehalten. Heute haben wir eine ganz andere Frequenz. Es werden viele Ladepunkte aufgebaut. Da muss man also täglich den Wettbewerb checken, täglich die Preise des Wettbewerbs checken. Wir gehen also auch langsam in diese Betriebsoptimierung rein. Denn wenn die Ladepunkte stehen, ist das Geschäft ja nicht abgeschlossen, sondern man muss natürlich
schauen, dass man am Markt besteht, attraktive Ladepreise hat und den Wettbewerb beobachtet. Und das ist noch mal ein ganz anderes Feld. Ja, spannend. Und habt ihr dann auch Zugang zu all diesen Datenquellen, die ihr so braucht? Oder gibt es auch Quellen, wo es unmöglich ist? Also, wir machen das ja schon eine ganze Weile und haben uns natürlich viele Daten selbst erarbeitet und Modelle aufgestellt. Wir validieren viele Sachen auch mit unseren Kunden mittlerweile, weil wenn man so einen großen Kundenstamm hat, kann
man quasi auch die Validierung mit den echten Backend-Daten der Kunden machen. Wir kaufen aber auch Daten ein – also wenn es um täglich aktualisierte Preisdaten oder um Auslastungsdaten geht. Also: Wie werden Ladepunkte, die schon auf der Straße stehen, tatsächlich genutzt? Das kaufen wir bei befreundeten Unternehmen ein. Okay. Und da gibt es ja meines Wissens auch gewisse Akteure, die quasi Daten konsolidierend anbieten. Ein Eco-Movement beispielsweise ist in der Ladebranche sehr bekannt. Das heißt, ihr habt da verschiedenste
Datenquellen von dritten Parteien, die Sachen aggregieren, nehme ich an. Eigentlich nur zwei. Wir versuchen, so viel wie möglich selbst zu machen. Aber die zwei, die ich gerade genannt hatte – Ladepreise und Auslastungsdaten –, das sind Sachen, die wir bei befreundeten Unternehmen einkaufen. Und da ist auch wichtig, immer eine gute Kooperation zu haben, damit das robust und stabil funktioniert. Alles andere machen wir selbst. Ich glaube, wir machen so viel selber, weil wir aus dieser Welt kommen. Für jedes Forschungsprojekt
der zehn Jahre davor mussten wir ja auch Daten zusammentragen, scrapen, anrufen, Tabellen miteinander vereinen und so weiter. Und wir sind als RLI immer sehr gut darin gewesen – Data Science, gerade auch die ganze Welt der offenen Daten. Da sind wir Spezialistinnen. Und so ein bisschen mit diesem Mindset sind wir wahrscheinlich gestartet. Weil wir wussten, dass das geht, und weil wir darin viel Erfahrung gesammelt hatten, haben wir gemerkt, dass wir das auf unsere Fälle auch anwenden können. Und wir sind ja auch kreativ. Damit möchte
ich nicht sagen beim Klauen von Daten, sondern beim Zusammenbauen von Daten zu einem coolen Algorithmus. Also, was wir alles am Anfang mit drin hatten, auch an soziodemografischen Daten rund um die Wahrscheinlichkeit, dass jemand ein E-Auto fährt im Vergleich zu einem Verbrenner – beispielsweise politische Affinitäten, Wahlergebnisse und so. Da haben wir uns gut ausgetauscht, tatsächlich interdisziplinär mit Leuten aus den Sozialwissenschaften, und haben dann versucht, das über Daten abzubilden. Und sowas haben wir beispielsweise dann bei den
Wahlleiter-Webseiten abgerufen. Also haben wir eine gute Mischung zusammengebaut, glaube ich. Und jetzt erst, so wie Oliver das beschrieben hat, wo die Verdichtung und diese Real-Time-Themen stärker werden, da haben wir dann mehr mit Datenanbietern zusammengearbeitet. Und habt ihr auch – es gibt ja den EU Data Act, der jetzt im September kommen wird, wo Daten offenbar noch einfacher zugänglich gemacht werden –, ist das für euch relevant? Ein Game Changer? Seht ihr da etwas? Beschäftigt ihr euch damit auch, oder
ihr allgemein zufrieden mit der Datenlage sozusagen. Ihr habt auch Forderungen an die Politik. Vielleicht also auch mit der Localizer-Brille nicht so stark. Mit der RLI-Brille habe ich wahnsinnig viele Forderungen, weil wir für bessere Forschung mit besseren Daten unglaublich viel bewegen könnten. Und da wünsche ich mir Zugang zu ganz vielen Dingen. Ich möchte auch, dass die offene Lizenzen haben, damit ich in der Lage bin, die zu verwenden. Diese Daten – ganz viele Daten sind ja proprietär oder noch schlimmer: Es gibt einfach keine Lizenz. Niemand
hat sich überhaupt die Frage gestellt, ob Forschung die Daten benutzen darf oder nicht. Das ist einfach eine Inkompetenz, glaube ich, die es an vielen Stellen gibt. Also, wenn dieser Data Act dazu führt, dass sich die öffentliche Hand damit mehr beschäftigt, begrüßen wir das sehr. Von der Localizer-Seite aus sind wir einfach super aufgestellt. Und dadurch, dass wir regelmäßig die Validierung haben, bekommen wir ja auch mit, dass unsere Datensätze und unsere Ergebnisse gut funktionieren. Ja, und es gibt noch im Prinzip eine dritte Säule. Also, wir hatten
ja gesagt, es gibt die Daten, die wir selbst erzeugen, und die Daten, die wir einkaufen – also eigentlich nur zwei Datensätze. Und dann gibt es noch eine dritte Säule der Datenbeschaffung, und das sind Forschungsprojekte. Also, wir sind zwar Software-as-a-Service-Anbieter, aber wir sind trotzdem noch bei sehr, sehr innovativen Themen in Forschungsprojekten drin. Und am liebsten natürlich gemeinsam mit dem RLI. Und das machen wir europaweit. Also, wir haben Projekte rund um die Ostsee mit allen Ostseeanrainerstaaten. Wir haben gerade ein Projekt in Österreich. Und das
sind – ich sag mal – Speerspitzenprojekte, nennen wir die bei uns, wo wir einfach in der Forschung – Scheitern ist ja erlaubt – neue Wege gehen, was austesten, was probieren. Und das sind so unsere Projekte, wo wir dann die neuesten Sachen entwickeln. Da können wir nicht so wahnsinnig viele machen wie beim RLI. Aber wir profitieren natürlich davon, dass wir da so eine lange Historie haben, ein gutes Netzwerk haben und mit dem RLI und mit anderen Forschungsinstituten auch super zusammenarbeiten können. Und wenn ihr so ein Beispiel nennt,
wo ihr Daten bräuchtet – welche Arten von Daten? Sind es Lastgänge, oder was könnte man so – was fällt euch ein, so Top of Mind? Also, wenn ich mir was wünschen dürfte, dann wüsste ich gerne georeferenziert alle Verteilnetzdaten. Warum interessiert mich das im Kontext von Elektromobilität? Naja, es interessiert mich deswegen, weil natürlich Netzanschlusskosten irgendwie skalieren mit dem Aufwand und dem Abstand zu vorhandenen Netzanschlusspunkten, Netzen und so weiter. Also, wenn ich weiß, dass irgendwie ein Stromnetz rechts oder links von einer
sechsspurigen Straße verlegt ist, ist das eine wichtige Information, oder? Weil dann ergibt es total Sinn, bei der Ladepunktsuche auf die eine oder andere Straßenseite zu gehen. Also, das ist etwas, was nicht nur beim RLI super spannend ist zu wissen, sondern auch im Kontext von Elektromobilität. Man kann solche Datensätze selber erzeugen, wenn man sich gut auskennt mit Stromnetzen. Das ist zufällig ein Skill, den auch das RLI hat. Aber warum nicht mehr offene Daten in dem Kontext? Es sind immerhin Dinge der öffentlichen Daseinsvorsorge. Total Sinn. Das ist ein
dickes Brett. Genau. Also, wir hatten zeitweise sogar schon Netzpläne bekommen von Stromnetzbetreibern. Da konnten wir den Fall, den Katrin gerade geschildert hatte, tatsächlich abbilden. Also: Die Verteilung auf der linken oder rechten Straßenseite – einmal unter der Straßenbahn durch oder der ICE-Strecke – kostet einen sechsstelligen Betrag, glaube ich. Das ist ja wahnsinnig entscheidend für unsere Kunden, wo sie den Ladepunkt platzieren. Aber am Ende des Tages kann die Zusammenarbeit nur mit dem Netzbetreiber funktionieren, weil wir ja gar nicht wissen, ob im Betrieb der Netzbetreiber Schaltungen in seinem
vermaschten Netz macht, wo vielleicht schon Einspeiseleistungen allokiert sind für einen Gewerbepark, wo vielleicht heute die Anschlussleistung gegeben wäre, aber die schon besetzt ist, weil in zwei Jahren irgendwie ein Gewerbepark entsteht. Und da hätte ich die Vorstellung, dass wir in die Richtung gehen müssen, dass wir einfach einen standardisierten Austausch mit den Netzbetreibern haben – über offene Daten, Modelle, Schnittstellen, Ampelsysteme, was auch immer. Aber das wäre nicht nur für die Elektromobilität, sondern für alle – also auch für die Erzeuger und für die Standortplanung – wahnsinnig hilfreich. Und wenn man jetzt
nochmal in Richtung Go-to-Market schaut: Wie haben – ihr habt ja dann auch angefangen. Also, dann kann ich mir vorstellen: Okay, die ersten Projekte kamen dann über diese Förderprogramme, die du anfangs geschildert hattest, rein. Aber da muss man sich als Unternehmen ja auch am Markt positionieren und sich bekannt machen. Könnt ihr da mal drauf eingehen, wie eure – seit 2011 war das der Anfang, war das beim RLI? Genau. Ja, da war der Einstieg, dass sich Ladesäulenbetreiber bei uns gemeldet haben und wir für Städte und Kommunen
diese Standortkonzepte erarbeitet haben. Da waren wir schon super spezialisiert. Und dann war wirklich der Punkt: Wir müssen da die Skalierung hinbekommen, haben die Gründung gemacht und dachten: Ja, nun. Wir sind jetzt Spezialisten aus dem RLI. Wir haben das Netzwerk, wir haben das Wissen. Und jetzt legen wir so richtig los. Und der große Aha-Effekt war für mich – wie sagst du es? – der große Aha-Effekt war: Wir haben nicht einen Kunden vom RLI weiter begleiten können. Die, die zu Localizer
gekommen sind. Die wollten weiterhin PDF-Berichte haben. Die waren gar nicht daran interessiert, nur ein Zehntel der Kosten zu bezahlen, sondern sie wollten einfach dieses dicke PDF-Dokument haben, den Bericht, damit zum Entscheidungsgremium gehen. Und bei Localizer hatten wir die ersten anderthalb Jahre richtig damit zu tun, weil wir waren ja auf Software as a Service eingestellt und getrimmt. Wir wollten keine PDF-Berichte mehr erstellen. Wir wollten, dass die Kunden das mit uns, mit unserer Software machen und auf den Knopf drücken und dann ihre Kilowattstundenprognose haben. Aber
sie wollten es nicht. Und das hat uns ganz schön beschäftigt zu der Zeit. Ja, spannend. Und organisatorisch, wie haben wir das gemacht? Wir haben so ein bisschen Geld eingesammelt von Friends and Family und von uns und von unserer Stiftung und hatten dann erst mal Geld, um diese Software zu programmieren. Also, wir haben dann direkt losgelegt und haben die im ersten Jahr programmiert. Und dann war eben eine Plattform fertig, in der man das alles hätte automatisiert, algorithmisch selber machen können. Und dann haben wir gedacht, das ist
doch jetzt die Erweckung. Da kann man ja auf Knopfdruck Punkte bestimmen, auswerten und so weiter. Und dann ist das passiert, was du gesagt hast. Also die Leute haben gesagt, das ist alles schön und gut, aber ein PDF-Bericht wäre doch auch schön. Keiner von uns hatte Lust, jetzt irgendwelche Texte dazuzuschreiben. Das ist uns passiert. Dann hatte ich zum Beispiel am Anfang noch die Idee, dass man mit unserem Algorithmus ja total gut Rankings erstellen könnte. Also ich habe auch immer gewartet auf so einen
klassischen Multisite-Kunden, der halt sagt: „Na ja, das hier sind meine 10 oder 20 oder 50 potenziellen Standorte. Macht mir doch mal ein Ranking." Und dann weiß ich: Ah, der hier ist wahrscheinlich ertragreicher in der Zukunft als andere. Das ist auch gar nicht so gestartet, wie wir wollten. Wir hatten sehr früh einen sehr, sehr großen deutschen Kunden, der eine ganz bekannte Supermarktkette ist, mehrere hundert Filialen in Deutschland hat – da hat das geklappt. Und für den haben wir dann zum Beispiel so einen Upload programmiert,
der konnte dann einfach seine Excel-Tabelle mit seinen 500 Standorten hochladen, hat dann tatsächlich so ein Ranking zurückbekommen. Die Standorte wurden automatisch in die Software eingelesen – also wir haben dann mit so einem Kunden gelernt, was der, wie der die Software benutzen möchte. Also sowas ging auch relativ schnell. Aber das waren so einzelne Projekte am Anfang. Wir hatten noch nicht so das Gefühl, dass wir jetzt 10, 12, 15 Standardkunden haben, die alle dasselbe wollen. Das hat uns eine ganze Weile begleitet. Und was
war dann? Ja, oder willst du noch ergänzen? Ja, also wir hatten damit ganz schön zu kämpfen. Wir mussten auch in unserer Firma Änderungen durchführen. Wir mussten tatsächlich auch Verträge beenden. Wir hatten finanziell zu kämpfen. Und dann haben Katrin und ich und ein kleines Kernteam quasi Vertrieb weitergemacht, weil wir einfach davon überzeugt waren. Also, es ist ja ein No-Brainer, für ein Zehntel der Kosten bessere Analysen zu haben, Tag und Nacht. Und dann irgendwann platzte der Knoten. Und dann haben wir das Team
wieder aufgebaut. Katrin hat schon gesagt, wir haben jetzt 14 Personen, Tendenz steigend. Wir sind von Norwegen bis Italien, von Polen bis England unterwegs. Und das überrascht uns eigentlich nicht. Aber was uns überrascht, ist, dass wir ein und denselben Standort zum Beispiel auch von mehreren Akteuren bewerten lassen können. Also nicht nur die CPOs fragen uns an, sondern auch die Standorteigentümer, die Banken, die Investmentfonds, Rentenfonds. Also ich habe in den letzten Jahren sehr viel dazugelernt, was alles rund um einen Ladepunkt – wer dann
noch so alles involviert ist. Spannend. Ich wollte noch ergänzen: Ich würde aus meiner heutigen Perspektive sagen, wir waren anderthalb oder zwei Jahre sehr früh dran. Und dieses automatisierte Produkt hatte noch nicht so einen starken Markt, wie es das heute hat. Es war für uns aber die richtige Zeit. Wir haben es eben trotzdem 2018 so gestartet, aber man hätte es vielleicht auch 2019 oder 2020 starten können und hätte dann gleich diesen wirklich skalierbaren Teil mitgenommen. Und wir waren sehr früh dran. Auf der anderen
Seite würde ich sagen, dadurch sind wir eben auch schon lange am Markt. Und wir kennen die Entwicklung dieser Kunden auch ganz gut. Also diese Kundschaft hatte damals auch noch andere Wünsche als heute. Und wir konnten dann unser Projekt so weiterführen, oder unsere Plattform so weiterentwickeln, dass diese Wünsche der Kunden mit reingeflossen sind. Das hat uns natürlich ermöglicht, viel kundenfreundlicher und auch marktorientierter zu werden. Also wir haben damals gemerkt, was die brauchen, was sie nicht brauchen. Wir haben viele Gespräche geführt und haben dann
gesagt: „Ja, klar, das können wir euch machen." Und deswegen haben wir jetzt ein Produkt, das wir uns nicht sozusagen von Top-down ausgedacht haben, sondern was mit der Kundschaft zusammen entstanden ist. Und das hat sich bei uns auch herausgestellt als eine sehr gute Methode für die Weiterentwicklung. Viele der Sachen, die du gerade besprochen hast, beispielsweise diese Entwicklung in andere Länder, die kommt daher, dass ein Kunde von uns gesagt hat: „Ich bin eigentlich auch in anderen Ländern. Und die Software, die ich da habe, ist nicht
so gut wie eure. Kann ich nicht eure auch meinen Kolleginnen aus den anderen Ländern andrehen? Haben gesagt: Ja, eigentlich schon, können wir die natürlich zur Verfügung stellen. Und so sind wir eben in diese Länder expandiert. Also das sind Kundenwünsche, die wir dann umgesetzt haben. Und der Durchbruch, der kam dann – gab es einen Moment oder gab es einen besonderen Pivot, wie man ja sagt im Start-up-Jargon, so eine Änderung der Strategie oder am Produkt, die dazu geführt hat, dass dann so ein Durchbruch kam? Oder
ich glaube, es war einfach nur das Timing, dass man lange genug gewartet hat. Ja, ich glaube, es waren zwei Sachen. Der eine Punkt war, dass bei unseren Kunden der Druck immer größer wurde und sie gemerkt haben, sie können mit Personal die Standorte gar nicht mehr händisch durchgucken und im PDF alle Standorte durchblättern. Also der erste große Kunde, der ist gleich mit 4000 Standorten gestartet und mit mehreren Abteilungen. Da gab es eine Abteilung, die nur Standortakquise gemacht hat. Die musste
also sehr, sehr schnell tausende Standorte bewerten und überhaupt gucken: Lohnt sich da überhaupt der Anruf bei dem Grundstückseigentümer? Die mussten sehr, sehr schnell rechnen. Dann die besten 100 Standorte haben sie an die nächste Abteilung weitergegeben. Die haben ein bisschen ins Detail geguckt, bis hin zur Bauabteilung, die die Sachen gebaut haben. Und als die Firmen gemerkt haben, dass das mit PDF-Dokumenten nicht mehr funktioniert – auch die Informationsweitergabe innerhalb der Firma oder zu den Dienstleistern – bei uns kann man einfach die Dienstleister mit einladen, kann
mit dem Handy ein Foto machen, und dann ist quasi die Baubesprechung gleich dokumentiert. Als dieser Druck bei unseren Kunden entstand, da platzte der Knoten. Spannend. Und du hast schon die Stakeholder erwähnt. Also die wichtigsten noch mal der Reihenfolge nach: Gerade sind das die CPOs, wenn ich das richtig verstehe, für euch. Und vielleicht kannst du nochmal ergänzen, die anderen, die du auch erwähnt hast – inwiefern sind die jetzt für euch relevant? Also CPOs, logisch, das sind die naheliegendsten, aber es gibt immer wieder Akteure. Ich hatte ja
schon die Fonds genannt. Investmentfonds, die natürlich große Portfolios verwalten, und auch die müssen sehr, sehr schnell Entscheidungen treffen. Oder wenn es um Unternehmenskäufe geht, dann melden sich Banken oder auch Investorengesellschaften bei uns und wollen wissen, wie gut ist denn ein Portfolio von dem Unternehmen, was ich kaufen möchte. Wir haben auch schon Insolvenzen begleitet – ein bisschen makaber, aber auch da muss abgeschätzt werden, wie gut ist denn das Portfolio, was jemand aufgebaut hat. Und letztens hat jemand zu uns gesagt:
Ja, ihr seid ja bankable. Was er damit meinte, war, dass unsere Software auf einem Standard beruht, den wir mit dem Deutschen Institut für Normung selber erstellt haben – also nicht alleine, wir haben es initiiert, aber es waren auch die Nationale Leitstelle für Ladeinfrastruktur dabei, Bundesministerien, Landesministerien, aber natürlich auch CPOs, vom BDI, ein Unternehmen vom VKU, der Verband der kommunalen Unternehmen war dabei. Und da haben wir einen Standard erschaffen. Und durch dieses standardisierte Vorgehen, was wir haben, werden unsere Analysen auch von Banken und Investoren akzeptiert. Das kennt
man ja aus der PV-Branche. Wenn man irgendwie einen PV-Park oder Windpark baut, braucht man Ertragsgutachten von Dritten. Und wir können das halt im Bereich Ladeinfrastruktur machen. Und deswegen haben wir uns quasi dieses Feld der Investoren erschlossen. Also CPOs, Investoren, Grundstückseigentümer – auf einmal sind Grundstücke interessant, die vor der Ladeinfrastruktur nicht interessant waren, weil sie einfach aus Ladeinfrastruktursicht gut gelegen sind. Für den Bau von einem Wohngebiet oder Bürogebäude sind sie vielleicht nicht so attraktiv. Das heißt, auch die wollen ihre Portfolios bewerten. Wohnungsgesellschaften wollen oder
müssen Ladeinfrastruktur aufbauen. Städte und Kommunen erstellen Pläne. Da schließt sich so ein bisschen der Kreis – damit haben wir ja ursprünglich mal angefangen. Städte wie Wien, Hamburg oder Berlin haben wir auch schon begleitet bei großen Ausschreibungen, wo diese Städte Dienstleister gesucht haben, die Ladeinfrastruktur ausbauen. Ja, verstehe. Du hast es erwähnt – das ist ja auch eigentlich extrem spannend, diese Analogie zur PV-Branche oder Wind, die müssen ja auch solche Art von Standortbewertungs-Tools anwenden. Gibt es da viele Analogien und
wo gibt es dann große Unterschiede zu diesen Branchen? Ich habe zwar erneuerbare Energien studiert, aber ich habe noch nie ein Windgutachten selber erstellt, muss ich sagen. Also von den Investorengesellschaften kennen wir ein paar KPIs, die sie aus der PV- und Windbranche mitgeben. Da haben wir uns ein bisschen was abgeguckt. Aber ins Detail kann ich da nicht gehen. Letztlich ist es technisch ja was ganz anderes. Also ich gucke auf Jahreseinstrahlungen oder Verschattungen oder Windverschattungen oder Windparkeffekte. Das haben
wir nicht. Bei uns sind es diese drei Säulen, die ich genannt hatte: Bevölkerung, POI und Verkehr, und dann der Wettbewerb. Und in Summe sind es aber Dutzende Faktoren, die das noch detaillieren. Im Bereich der Bevölkerung ist uns zum Beispiel die Gebäudestruktur wichtig. Wenn man einen Ladepunkt in einen Vorort setzt, in so einer Eigenheimsiedlung, dann wohnen da natürlich auch Leute, die sind vielleicht auch solvent, die Elektrofahrzeugquote ist hoch. Das politische Wählerverhalten korreliert gut mit der Elektrozulassungsquote. Das hat ja
Katrin kurz angedeutet: Alle Faktoren sind vielleicht gut, aber trotzdem spuckt unsere Software raus, es gibt kaum öffentlichen Ladebedarf. Warum? Weil das Laden zu Hause natürlich viel attraktiver ist – wirtschaftlich. Und unsere Software erkennt halt, dass es da keinen öffentlichen Ladebedarf gibt. Wenn man genauso viele Einwohnende hätte in einer Gebäudestruktur, wo es mehr Familienhäuser gibt und nicht genug private Parkflächen, kommt wieder ein Ladebedarf heraus. Und so gibt es, wie gesagt, Dutzende Faktoren, die wir da in der Zeit immer genauer beschrieben haben. Ich habe ja
gesehen, es sind circa 2000 CPOs schon, die die Software genutzt haben. Das heißt, ich habe Unmengen an Erfahrungswerten. Was habt ihr denn gelernt? Was hat euch überrascht, was vielleicht auch eine interessante Anekdote sein könnte, von euren Daten und Analysen? Also, ich streue mal etwas ein, worauf ich immer noch so ein bisschen warte: Wir haben Localizer eigentlich gar nicht als
Software geschrieben, die solche Gutachten ausspuckt – das klang gerade so ein bisschen an –, sondern wir haben eigentlich eine Plattform gebaut, auf der man die gesamte Umsetzung machen kann. Man könnte also direkt mit dem Netzbetreiber in Kontakt treten, der könnte direkt die Daten sehen, der könnte auch reinschreiben: „Dieser Standort ist nicht so günstig, es wird günstiger, wenn du ihn verschiebst." Also, wir haben da etwas vorbereitet, was die Chance hat, diese gesamte Sektor-Management-Aufgabe zusammenzuführen. Und das ist etwas, was
noch gar nicht so gut angenommen wird. Im Hintergrund laufen nach der Bewertung und der Planung dieser ganzen Standorte bei uns fast immer noch dieselben Prozesse ab wie früher. Ich hätte mir im Rahmen der Digitalisierung auch bei den Netzbetreibern gewünscht, dass sich das im Laufe der letzten sieben Jahre, wo wir jetzt am Markt sind, schon ändert. Das ist etwas, was zum Beispiel noch nicht passiert ist und wofür wir aber vorbereitet sind. Man könnte alle diese Prozesse auch sehr gut digital in der Plattform
machen. Tatsächlich gibt es diese Knöpfe – die sind noch in der Plattform drin: „Hier den Netzbetreiber einladen." Aber den Knopf sieht man nicht mehr. In den ursprünglichen Entwürfen war das alles vorgesehen. Letztlich sind wir von damals sieben Stufen immer noch in den ersten beiden Stufen. Die anderen sind alle vorbereitet. Ich glaube, auf der Hauptstadtkonferenz hat mich mal ein CPO angesprochen, ob wir nicht auch Netzbetreiber wieder einladen könnten. Das
wäre schön, wenn das losgehen würde. Also an alle Netzbetreiber da draußen: Wir sind bereit. Der Use-Case wäre, dass der Netzbetreiber sich einloggt und dann Daten aus den Netzen einspeist – das muss er nicht mal. Es gab eine Zeit, wo Netzbetreiber sehr viele Anschlussanfragen bekommen haben, weil die CPOs gesagt haben: „Ich muss jetzt fünf Standorte realisieren, ich frage beim Netzbetreiber vorsichtshalber mal 50 an und suche mir dann die Standorte raus, die am schnellsten realisierbar sind." Das tut
ja auch dem Netzbetreiber weh, wenn der 50 Anschlussanfragen bearbeitet, aber nur fünf Aufträge bekommt. Normalerweise kennt ein Netzbetreiber dieses Geschäft gar nicht, weil wenn jemand eine Netzanschlussanfrage für ein Gebäude oder einen Supermarkt macht, dann wird er ja zu 100 % gebaut. Es gibt ja keine Wahlmöglichkeiten beim Netzbetreiber. Aber im Bereich E-Mobilität und Batterien hat ein Netzbetreiber auf einmal Blindleistungen zu bearbeiten, weil er einfach Angebote bearbeiten muss, die nicht zum Auftrag kommen. Und das würde dem Netzbetreiber auch
Arbeit abnehmen. Katrin hat es ja vorhin angesprochen, dass wir einen Prozess wie eine unverbindliche Netzanschlussanfrage befürworten würden. Es wäre super, wenn man über eine Plattform wie Localizer beim Netzbetreiber einfach unverbindlich einen Standort anfragen könnte. Der Netzbetreiber könnte das schnell beantworten, muss das nicht verbindlich machen, muss die Leistung nicht in seinem Netzprogramm allokieren. Und unsere Kunden, die CPOs zum Beispiel, wären happy, wenn sie einfach nur einen Daumen hoch oder Daumen runter oder so eine –
ich weiß nicht genau, ich müsste es genauer analysieren – Information bekommen würden. Das ist alles vorgesehen. Aber wir haben ja nicht nur 12 Netzbetreiber in Deutschland, sondern ein paar mehr, und da ist es natürlich nicht so leicht, so einen Prozess loszutreten. Meine utopische Vision wäre es, dass man diese ganzen Daten der Verteilnetze irgendwann mal wirklich in Echtzeit zur Verfügung hätte – nicht nur die Kapazitäten der Kabel, sondern auch die tatsächlichen historischen Daten von jedem 15-Minuten- oder
Echtzeit-Slot – und dass das für jedermann zur Verfügung wäre und damit geplant werden könnte. Für die Projekte würde für alle Effizienz entstehen. Aber das wäre so Schritt zehn irgendwann mal in eurer Software. Du hattest ja nach den Aha-Erlebnissen gefragt. Und das ist tatsächlich ein Aha-Erlebnis: Ich hätte nicht gedacht, dass es so lange dauert. Wir sind ja immer noch nicht – wir haben ja immer noch
nicht die Lösung. Und wir hatten das schon vor sieben Jahren, die Idee. Also, das hat mich wirklich verwundert. Ein anderes Aha-Erlebnis war gewesen, dass wir Anfragen bekommen und bearbeiten. Die Kunden rechnen dann Standorte durch. Und nur durch Zufall merken wir, dass dieselben Standorte von anderen Kunden auch bearbeitet wurden. Wir gucken uns ja nicht, oder wir können uns ja gar nicht mehr die ganzen Standorte angucken, die von unseren Kunden analysiert werden. Jedes Kundenprojekt ist ja auch vertraulich. Aber wir haben gemerkt, dass manchmal
ein und derselbe Standort von verschiedenen Akteuren bewertet wurde. Und da passieren schon sehr spannende Sachen. Ich würde jetzt gern mehr erzählen, aber die Spannung steigt. Ja. Und welche Rolle spielt KI? Das ist ja auch in aller Munde. Hat das für euch auch einen Impact? Benutzt ihr KI, oder wollt ihr das benutzen? Ja, also die Antwort ist klar. Ja, wir benutzen jetzt schon KI und auch Machine Learning. KI hat ja einen riesigen Vorteil beim Auswerten großer Datenmengen, und das ist der Punkt, wo wir KI
derzeit einsetzen. Bei der eigentlichen Standortprognose, was jetzt die Ermittlung der Kilowattstunden angeht, da sind wir noch vorsichtig, weil die KI kann ja immer nur an der Vergangenheit lernen. Da aber die Änderungen im Nutzerverhalten und in der Technik der Fahrzeuge sich so stark entwickelt haben, würden wir quasi das Nutzerverhalten und die alte Technik in die Zukunft projizieren. Und da sehe ich gerade noch Grenzen. Also, wenn man sich vor Augen führt: vor nicht mal zehn Jahren hatten viele E-Fahrzeuge im Winter weniger als 100
Kilometer Reichweite. Kann man sich heute kaum noch vorstellen, aber das war so. Und wenn man dann laden musste, dann war man glücklich, wenn man eine 50-kW-Säule gefunden hat. Und heute hatte ich ja erzählt, hat man Ladestress, weil man mit dem 800-V-Auto in 20 Minuten schon wieder den Akku voll hat. Ja, und deswegen prüfen wir quasi regelmäßig die Grenzen der KI aus. Und ich glaube, das Wichtigste ist quasi, diese Grenzen
zu kennen und dann immer wieder zu erweitern, bis man mit der KI besser ist als das, was man auf klassischem Wege programmiert hat. Ich würde auch sagen, wir nutzen KI als Werkzeug, so wie wir auch Python als Werkzeug benutzen. Aber es steckt in unserem Modell immer noch eine fundamentale Analyse und ein fundamentaler Algorithmus von Dingen, die wir wissen, die wir anpassen können und die nicht eine KI erfunden hat. So nutzen wir das. Ja, das ist aus zwei Richtungen sinnvoll. Einerseits können wir so einfacher unsere Erfahrungen
einspielen. Wir hatten ja auch mal für die Bundesregierung große Analysen gemacht, fürs Verkehrsministerium und für die nationale Leitstelle. Diese LISTE-2030-Studien sind ja dem einen oder anderen bekannt. Da könnt ihr mal ins Impressum schauen – da steht dann das Logo vom REI, und auch Kollegen von Localizer. Also, diese Infos dort einzuspielen ist ganz wichtig. Damals hatten wir ja 80 % des deutschen Fahrzeugmarktes befragen dürfen. Das Verkehrsministerium hat die CPOs ins Ministerium eingeladen, und wir konnten unter kartellrechtsanwaltlicher Aufsicht die Autohersteller
befragen. Und die haben halt ihre Produktionsplanung zum Besten gegeben: welche Batteriekapazitäten, welche Mengen, welche Ladeleistungen die zukünftigen Fahrzeuge haben werden. Und diese Infos in den Algorithmus einzuspielen ist im Moment noch auf klassischem Wege einfacher. Ein anderer Aspekt ist, dass unsere Kunden nicht in eine Blackbox schauen wollen, wo einfach nur ein Kilowattstunden-Wert rauskommt, dem man dann vertrauen muss, weil die Kunden ja sehr unterschiedliche Geschäftsmodelle haben. Also, wenn man jetzt zum Beispiel einen Supermarktparkplatz annimmt, dann könnte man den analysieren und sagen, es wohnen irgendwie
3.500 Einwohner im Umkreis von 500 Metern um diesen Supermarkt. Die könnten an dem Supermarktparkplatz laden, theoretisch. Wenn der aber beschrankt ist oder aus versicherungstechnischen Gründen man am Wochenende oder am Sonntag da gar nicht laden kann, fällt der Teil schon mal weg. Wir wissen aber gar nicht, ob vielleicht bei dem Supermarkt im nächsten halben Jahr eine Änderung stattfinden soll und dort dann doch die Anwohnerschaft laden kann. Oder gucken wir nur auf die PI? Wir machen das sozusagen durch unseren Algorithmus sehr, sehr
transparent, sodass unsere Kunden selbst entscheiden können, welche dieser Energieprognosen oder Anteile zu ihrem jeweiligen Geschäftsmodell passen. Sie können es anpassen, und sie können sich auch die Elemente heraussuchen, die zu ihrem Geschäftsmodell passen. Und wenn eine Kommune oder ein Supermarkt nicht die Autobahnfahrerinnen und -fahrer von der Autobahn runterlocken und durch den kleinen Ort zu dem Supermarkt lenken will – weil es der Bürgermeister vielleicht nicht will –, dann wird halt einfach diese Spalte der Energie nicht berücksichtigt. Im Geschäftsmodell wird
dann auch nicht so viel Werbung gemacht. Und von den Supermärkten hätte ich noch eine Anekdote, die auch klarmacht, warum wir immer noch ein so fundamentales Modell gut finden. Wir hatten einen großen Kunden in Deutschland mit sehr vielen Filialen. Und die hatten sich schon ihre eigenen Gedanken darüber gemacht, welche Filialen denn wohl attraktiver sein müssten für Menschen mit E-Autos. Und die hatten zum Beispiel die These, dass die Filialen, die einen hohen Anteil von Bioprodukten haben, also ein anderes Sortiment, weil sie ja ihre Kundschaft und
ihr Sortiment sehr gut kennen, dass die eine höhere Wahrscheinlichkeit haben, dass auch Menschen mit dem E-Auto davor parken. Also Supermärkte wissen extrem viel darüber, wer bei ihnen einkauft, und haben ihre eigene Vorstellung davon, dass das korreliert mit dem Nutzen von dem einen oder anderen Verkehrsmittel. Das sind wahnsinnig wichtige Informationen für so ein Unternehmen. Eine KI, die über alle dieselben Analysen macht, wird das nicht rausfinden. Und weil wir immer wieder diese Erfahrung machen und weil wir auch der Kundschaft ermöglichen wollen, das mit einzubauen, ist
das Fundamentalmodell einfach das Beste. Und die KI – klar, die ist bei uns angekommen, weil es eben ein tolles Werkzeug ist. Okay, spannend. Und in Sachen Positionierung am Markt: ich nehme an, es gibt Wettbewerber wie in jedem Geschäftsmodell. Wie unterscheidet ihr euch? Was sind eure USPs? Also, als wir gestartet sind, gab es auch schon Wettbewerber. Und wir wussten in dieser Phase, die wir vorhin beschrieben haben, wo wir auch wirtschaftlich unsicher waren, gar nicht, dass wir zu früh dran waren. Wir hatten
auch die Idee, dass wir vielleicht zu spät dran waren. Es klingt irgendwie seltsam. Heute ist so klar, dass wir einfach der Zeit ein bisschen voraus waren. Aber damals wussten wir nicht, ob wir zu früh oder zu spät dran waren. Es gab damals auch schon zwei, drei Akteure. Diese Akteure gibt es heute allesamt nicht mehr. Ich glaube, einer macht ein ganz anderes Modell. Der ist vom Thema Ladeinfrastruktur weg. Hat, glaube ich, letztes Jahr bei uns angefragt, ob er unseren Service
nochmal einkaufen kann, weil er das Feld verlassen hatte. Wir haben also in der Zeit viele kommen und gehen sehen. Und es gibt jetzt – ich schätze, weniger als eine Handvoll –, die da so spezialisiert sind in Europa. In ganz Europa, ja. Die da so spezialisiert sind. Und was zeichnet uns aus? Wir haben schon sehr viel Ahnung von Ladeinfrastrukturplanung. Wir machen das nicht nur, weil man es mit Daten machen kann. Mit Daten kann man eben viel machen, kann man
Hundefutter verkaufen, oder man kann eben auch Ladeinfrastruktur planen. Wir kommen aber zufällig aus dem Bereich. Wir wissen alles über die Kundschaft, die Stakeholder, die Technik dahinter und so weiter. Wir haben das mit diesem Wissen aufgebaut. Das zeichnet uns aus. Und dann haben wir auch noch eine gute Lösung. Wenn man sich die Plattform anguckt – das machen ja viele Kunden von uns auch im Vergleich zu anderen Plattformen –, dann kriegen wir regelmäßig das Feedback, dass wir einfach eine sehr nutzerorientierte Plattform gebaut
haben, die deren Wünschen gut entspricht. Das liegt daran, dass wir sie sehr viel auch zusammen mit unserer Kundschaft entwickelt haben. Wir haben 14 Personen bei uns im Team. Viele davon fahren selbst auch ein E-Fahrzeug. Es gibt neben mir noch einen anderen Fahrzeugtechniker. Und ich weiß nicht, ob ihr Fahrzeugtechniker kennt – ich glaube, die Frauenquote ist da noch ein bisschen geringer als bei E-Fahrzeugleuten. Da sind eine Menge Freaks dabei. Und zwei von den Freaks arbeiten zufällig bei uns. Wir haben einfach Spaß daran,
das Thema E-Fahrzeug einfach auszuprobieren. Wir machen regelmäßig Tests auch mit der Familie – zum Leidwesen der Familie manchmal –, aber auch im beruflichen Kontext. Auch im Ausland leihen wir uns Fahrzeuge aus und testen einfach die Ladeinfrastruktur. Das machen wir seit Jahren. Und die ganzen Infos fließen da natürlich rein. Wir können zwar Energieprognosen machen, aber es gibt noch viele andere Faktoren: die Preise des Wettbewerbs, dynamische Preise ist ja jetzt auch ein Riesenthema. Das sind alles Faktoren, die wir mit berücksichtigen müssen. Und wir
begleiten unsere Kunden da auch mit solchen Tipps, Tricks und Beratungshinweisen. Das Thema dynamische Preise ist sehr, sehr spannend, auch im Sinne der Energiewende, dass man die Verkehrsflüsse auf Basis der Verfügbarkeit der Erneuerbaren im Netz dynamisiert. Wie schätzen Sie das ein? Schauen sich das viele CPOs an? Wird das bald ins Rollen kommen? Wird das viel ändern, auch auf Basis eurer bisherigen Erfahrungen – dass sich eure Modelle dann ganz schön ändern würden, wenn man solche Preise hätte?
Wir haben das schon vorgesehen. Mit einigen Kunden versorgen wir auch schon mit Preisdaten, die dann in ihre dynamischen Preissysteme reinfließen. Man kann sich das sehr gut vorstellen: wenn man weiß, welche tagesaktuellen Preise der Wettbewerb hat, kann man sich Methoden überlegen, wie man sein eigenes Pricing gestalten möchte. Und wir haben auch API-Anbindungen. Das heißt, unsere Kunden können die Daten nicht nur in unserer Plattform im Browser abrufen, sondern auch über die API abrufen und in ihre
Backends oder in ihre Algorithmen einspeisen, wo dann die Daten bis zur Ladesäule kommen und der Preis beim Direct Payment gesetzt werden kann. Das heißt, wir gehen da auch schon in die Betriebsoptimierung mit rein. Dynamic Pricing wird ein Riesenthema sein, aus der Bedarfssicht. Aber wir gucken ja immer noch ein bisschen durch die erneuerbare Brille. Auch aus der Erzeugungssicht wird es ein Thema sein, letztlich auch über den Beschaffungspreis der Energie. Es gibt ja heute schon ein paar Ladesäulen, die groß damit Werbung
machen. Wenn die Sonne scheint, ist es ein paar Cent günstiger, als wenn keine Sonne scheint. Andere gucken nur von der Bedarfsseite darauf: wenn einfach wenig gerade los ist, dann wird der Preis reduziert, um da Kunden anzulocken. Und diese Preisbildungsmechanismen, die bereiten wir gerade vor. Und da gibt's aber sehr große Unterschiede bei den Kunden. Die einen gucken bedarfsseitig auf die Nutzer, die anderen gucken auf die Energie, die anderen aufs Marketing. Da wird ganz viel passieren. Und das ist auch wieder so
ein Thema, wo ich denke: klar, wenn ich nicht aus dem Themenfeld komme, dann kann ich die Daten in eine KI reinwerfen. Und dann generiert die daraus Prognosen. Jetzt kommen wir aber zufällig aus dem Thema. Ich habe selber früher Strom gehandelt. Ich weiß, wie die Börsen funktionieren. Mit dem Wissen würden wir eher an so eine Aufgabe gehen, als dass wir es einfach nur in so ein Datenmodell schieben. Das ist das, was man halt bei uns bekommt. Wir versuchen, uns rauszuhalten aus der Beratung. Aber ich glaube, wir
wären auch immer noch extrem gute Berater für unsere gesamte Kundschaft, weil wir natürlich auch diese Management-Entscheidung – dieses Make or buy – weil wir das alles auch durchdringen können. Unsere Firma soll aber eine Software-as-a-Service-Firma sein. Also wir müssen uns immer wieder selber auch so ein bisschen regulieren und daran erinnern, dass wir eigentlich nicht Projekte machen wollen und eigentlich nicht Beratung, sondern wir würden gerne die Software so gut machen, dass sie eben die Probleme der Kundschaft löst. Eine Vision, die uns ja auch bei RiDERgy
umtreibt, ist ja, dass man das intelligente Laden bis zum bidirektionalen Laden an so vielen Ladepunkten wie möglich auch ermöglicht. Nun, beim öffentlichen Laden ist es ja vor allem im Schnellladesegment schwieriger als in anderen Use Cases oder Anwendungsfällen. Nichtsdestotrotz gibt's ja auch im öffentlichen Laden – was ja euer Kernschwerpunkt bei Localizer ist – jetzt auch die AC-Lader, die an den Laternen beispielsweise sind, aber auch in Holland, glaube ich, sehr, sehr viel, auch mehr noch als in Deutschland, so ganz viele AC-Lader. Und beim DC-Laden könnte man ja auch über diese
dynamischen Preise die Flüsse ein bisschen steuern. Wie blickt ihr auf das Thema, und habt ihr da schon Erfahrungswerte? Und denkt ihr, das wird auch viel verändern, wenn man dann in der Lage ist, eben zu laden, wenn es viele Erneuerbare gibt, und wenn bidirektionales Laden möglich und gang und gäbe sein wird? Also das Potenzial ist riesig. In meinem zweiten Studium habe ich genau zu dem Thema meine Masterarbeit geschrieben. Das ist jetzt schon einige Jahre her – also zum bidirektionalen Laden. Und es ist
so ein bisschen so wie beim Thema Netz, was wir vorhin angesprochen haben. Man kann sich eigentlich nicht vorstellen, warum das wirklich so lange dauert, das wirklich in die Praxis umzusetzen. Aber es wird – da würde ich das Wort „Game Changer" benutzen. Also, wenn wirklich Fahrzeuge Energie zurückspeisen können, dann ist das ein Game Changer. Vielleicht noch bei RiDERgy: den Übergang zu Katrin haben wir schon – so Projekte durchgeführt. Ein Projekt beispielsweise mit der Deutschen Post und dem Stromnetzbetreiber Edis. Ich glaube,
der fünftgrößte Netzbetreiber in Deutschland, gehört zum E.ON-Konzern, Edis, in Brandenburg. Genau – da hatten wir es schon geschafft, dass wir die Ladevorgänge der Deutschen Post testweise aus der Leitstelle des Netzbetreibers steuern konnten. Der Strom ist nicht zurückgeflossen, aber man konnte quasi durch den Netzbetreiber die Ladevorgänge steuern. Technisch ist das alles möglich. Aber der Punkt ist, glaube ich, die Regulatorik.
Gut, dann nochmal: habt ihr auch geografische Unterschiede entdeckt in dem, was ihr macht? Also ich nehme an, ihr habt den Fokus auf Deutschland, aber wie ihr meintet, begleitet ihr auch geografisch verschiedenste Regionen. Gibt's da auch interessante Begebenheiten oder Daten? Ja, wenn wir beispielsweise ein Kundenprojekt in Schweden oder Norwegen freischalten für einen deutschen Kunden, der da in den Markt möchte und der uns dann fragt: „Mensch, ihr habt da oben bei dem Parkhaus irgendwie einen Fehler
gemacht. Da sind 500 Ladepunkte drin." Da sagen wir: „Nee, ist kein Fehler. Die stehen da wirklich." Und jedes Land hat unterschiedliche Hochlaufkurven bei uns, und zwar mehrere – ein konservatives und ein progressives Szenario. Und was total wichtig ist, was eigentlich total banal klingt, aber es wird auch von großen Beratungshäusern manchmal nicht richtig gemacht: Man muss natürlich bei den Hochlaufkurven immer die aktuellen Zulassungszahlen berücksichtigen. Wir haben schon Prognosen gesehen, wo mehr E-Fahrzeuge zugelassen werden in der Zukunft als heute Gesamtfahrzeuge pro Monat zugelassen werden. Das
würde ja bedeuten, der Fahrzeugkauf steigt so – und das sehen wir so nicht. Und das ist in den unterschiedlichen Ländern in Europa sehr stark unterschiedlich. Holland liegt zum Beispiel bei den Zulassungsquoten vor uns. Deutschland wird aber Holland überholen, weil einfach der Durchsatz an neuen Fahrzeugen höher ist. Und dann E-LKW – das hat es, glaube ich, schon angerissen. Das wäre noch mal ein interessantes Thema, was glaube ich gerade sehr en vogue ist. Wie schaut ihr auf das Thema E-LKW? Was
verändert das bei euch, oder inwiefern ist das für euch relevant? Also man geht in die Karte bei uns, macht einen Rechtsklick und setzt einen LKW-Standort. Und dann klickt man nochmal drauf und sagt: „Berechnung starten." Und dann werden im LKW-Bereich Megawattstunden pro Jahr ausgegeben, auch bis 2035, für verschiedene Ladeleistungen – also für das Nachtladen und für das schnelle Laden.
Nach viereinhalb Stunden Lenkzeit muss ja eine Pause gemacht werden. Da könnte man dann mit MCS, mit dem Megawatt-Charging, laden. Heute ist es oft noch das CCS-Laden. Wir haben das Produkt. Das wird auch schon verkauft. Viele Kunden nutzen das und planen in Europa Lkw-Ladeinfrastruktur. Meine Vermutung ist, dass es da sogar ein bisschen schneller geht als beim Pkw. Der Pkw hat sich ja sehr viel Zeit gelassen mit dem Hochlauf. Die Fahrzeuge sind da und da geht's ja weniger um Emotionen. Also der Pkw-Markt
ist ja sehr über Emotionen getriggert. Früher wollten die Leute vielleicht keinen anderen fahren, sondern den Tesla, der dann irgendwo Sexyness suggeriert hatte, weil es ganz viele Beschleunigungsvideos im Internet gibt. Der hat das Thema irgendwie en vogue gemacht. Beim Lkw ist es einfach eine betriebswirtschaftliche Rechnung. Und wenn der da besser ist, dann kaufen die Speditionen eben Lkws. Und ich glaube, da sind wir jetzt. Das heißt, das Ziel von, glaube ich, 30 % bis 2030 neu verkaufte E-Lkw ist eures Erachtens realistisch. Ja,
ich glaube, in Deutschland sind wir da auf einem guten Weg. Gut. Und der Electrotrucker zeigt es ja vor in seinen Videos, dass die CCS-Ladesäulen, die ursprünglich eher für Pkw gedacht waren, auch von den Stellplatzgrößen passen. Seht ihr das auch so, dass es letztendlich keinen Bedarf gibt oder nicht so viele MCS-Lader braucht? Und nochmal für die Zuhörer vielleicht, die nicht wissen: Megawatt-Charging heißt, dass man über 1.000 kW laden kann,
im Vergleich zu CCS mit typisch 350 bis 400 kW. Ja. Der Vorteil vom MCS ist ja dieser hohe Ladepeak. Der hohe Ladepeak wird aber nicht von 0 bis 100 % SOC durchgefahren. Das heißt, der MCS-Lader hat seinen Vorteil, wenn man bei einem niedrigen SOC mal kurz laden möchte. Wenn man sowieso länger steht, nivelliert sich das wieder aus. Ich habe zum Beispiel ein 800-V-Fahrzeug, einen Kia. Wenn ich eine Ladesäule lade, die vielleicht
nur 150 kW Leistung hat, das Fahrzeug aber 240 kW laden kann, dann wird die Ladeleistung an einem schnellen Lader nach 50 % SOC abgeriegelt, weil die Batterie einfach zu warm wird, und geht dann irgendwie auf 100 kW runter. Wenn ich aber an einem Lader stehe, der nur 150 kW kann, dann wird die Batterie in der Anfangszeit gar nicht so heiß. Und die 150 kW werden bis in den hohen SOC-Bereich weitergefahren. Das heißt, effektiv an Zeit, wenn ich lange stehe, ist der 150
kW-Lader bei vielen Fahrzeugen gar nicht viel langsamer als der Lader, der mit 300 kW lädt. Das macht wirklich nur einen Vorteil, wenn ich wirklich nur 10 Minuten lade. Und so ist es beim Lkw wahrscheinlich auch. Man muss es ein bisschen beobachten. Die MCS-Technik ist ja deutlich teurer als die andere Technik. Man hat auch einen anderen Stecker, der ist ja so dreieckig. Und man muss sehen, ob das im Betrieb wirklich diesen Vorteil bringt, wenn die Trucker nur wirklich ganz kurz laden. Und da bin ich
gespannt. Vielleicht hast du den Kollegen ja mal mit an Bord. Dann höre ich mir den Podcast von ihm noch mal an. Ja, bald haben wir schon einen Podcast, wo wir dann darüber sprechen, detaillierter. Aber es hätte mich interessiert, ob ihr da eine starke Meinung zu habt. Es gibt ja diese zwei Anwendungsfälle, die du gerade auch erwähnt hast: das kurze Laden nach den 4,5 Stunden Betrieb in der Pause, und dann stehen ja die E-Lkw nachts
quasi. Und da reicht ja auch eine ganz langsame Ladung. Und es ist auch witzig, dass du gerade gesagt hast „nur 150 kW", weil vor fünf Jahren hätten wir gesagt: „Boah, 150 kW, mega!" Und da wurden die ersten noch höheren gebaut, und wir haben gedacht: „Was sind das für wahnsinnige Leistungen?" Jetzt sagst du „nur 150 kW". Also, wir kommen natürlich, wenn man auf der Seite der Elektrotechnik und der Strominfrastruktur ist, auf riesige Themen
zu sprechen. Es ist nicht das, was wir bei Localizer machen, aber das ist das, was wir beim RLI dann wieder machen würden. Also die Frage: Was bedeutet das für die Stromnetze? Das RLI hat zum Beispiel im Auftrag der BVG hier in Berlin zusammen mit dem Öko-Institut eine Studie gemacht zum Hochlauf der Elektromobilität innerhalb der Lkws, die in Berlin unterwegs sind. Also: Was haben die für Use Cases für das Laden? Wo wird das stattfinden? Und da kommt man eben auch auf ganz schöne Strommengen,
die dann zur Verfügung gestellt werden müssen, nicht nur auf der Kilowatt-Seite, sondern auch auf der Kilowattstunden-Seite. Hast du das zufällig im Kopf? Irgendwie über 20.000 E-Lkw, die wir erwarten in den nächsten fünf oder zehn Jahren. Ich will nichts Falsches sagen. Und da geht es dann ganz viel darum: Wo stehen die eigentlich? Es gibt ganz viele Unternehmen, die haben Betriebshöfe. Wir gehen also stark davon aus, dass da so ein Depotladen entsteht. Dann ist die nächste Frage: Dürfen da vielleicht
andere auch laden? Weil man muss sich überlegen: Viele Unternehmen stellen ihre Fahrzeuge an die Straße. Das ist aber nicht vorgesehen, dass dann jedes dieser Fahrzeuge dort laden kann. Also können die sich vielleicht etwas teilen? Es geht auch darum, dieses Depot-Teilen schon mal vorzubereiten, was dann notwendig wird, um eben die öffentlichen Plätze zu entlasten. Wir kommen zum Abschluss. Was sind denn Themen, die euch noch umtreiben beziehungsweise in der Zukunft, worüber ihr schon mal einen Ausblick geben wollt?
freut, wenn ihr schon mal einen Ausblick geben wollt.
Ja, wir haben sie eigentlich schon angesprochen. Wir haben jetzt super tolle Betriebsdaten drin. Also die Auslastung von bestehenden Ladepunkten können wir in Anzahl, in prozentualer zeitlicher Auslastung und auch in Kilowattstunden einsehen. Man kann einfach gucken, wie performt ein Ladepunkt draußen auf der Straße, und daneben quasi die Prognose stellen. Ein besseres Handwerkszeug kann man sich eigentlich nicht vorstellen. Dazu noch die Ladepreise, täglich aktualisiert. Das ist der Status quo. Und wenn wir in die Zukunft blicken, dann habe ich immer noch nicht
die Hoffnung aufgegeben, dass wir mit der Integration der Stromnetzbetreiber da mal richtig weit kommen. Weil das ursprüngliche Ziel – und wenn man so den Bogen schlägt zu Reiner Lemoine – wir wollen ja die Energiewende skalierbar machen. Da müssen die Erneuerbaren rein. Das Netz ist quasi das Rückgrat der Energiewende, und die zu integrieren, das wäre so mein Traum. Aber ich glaube, da muss ich mich noch 12 Monate gedulden. Und was darüber hinaus Spaß macht, ist die Expansion in die anderen Länder.
Noch mehr Kunden, die auch in die Länder gehen wollen, wo wir schon sind, oder irgendwie nochmal ein neues Land starten, wieder was Neues lernen, auch über die angesprochenen Unterschiede, die es da gibt. Sowas macht mir Spaß. Cool. Ja, dann habt ihr zum Abschluss noch einen letzten Satz, oder wie man mit euch in Kontakt kommen kann, was ihr den Zuhörern geben wollt. Die Kontaktaufnahme ist ganz einfach. Ihr geht einfach auf unsere Webseite und fordert eine Demo an. Dann könnt ihr zwei Wochen
lang kostenlos testen. Ihr habt freundliche Kolleginnen und Kollegen bei uns. Wir nehmen uns viel Zeit für das Onboarding, rechnen da mit euch gemeinsam ein paar Standorte durch. Und dann könnt ihr das passende Tool für euch einfach ausprobieren und buchen.
Genau so sieht es auf der Seite Localizer aus. Und beim RLI ist es so: Da freuen wir uns immer auf eine gemeinsame Projektentwicklung oder eine Beauftragung. Also wenn jemand sagt, ich brauche gar nicht dieses automatische Tool, sondern ich möchte ein Projekt durchführen, ich möchte was lernen über die Stromnetze – wie entwickeln die sich, was sind mögliche Szenarien für die Energiewende in meinem Betrieb vor Ort und so weiter – das sind Dinge, die wir mit unseren ingenieurwissenschaftlichen Methoden angehen können. Da können wir eine Studie schreiben, da können wir
ein Tool dafür bauen, eine Software entwickeln. Dafür sind wir beim RLI gerne ansprechbar. Das findet man auch im Web unter rli-institut.de. Dann vielen Dank für das Gespräch. Ich wünsche wenig Ladestress und bis bald. Danke schön. Bis bald. Tschüss. Und das war wieder eine Folge mit Katrin und Oliver von Localizer. Besonders spannend fand ich, wie sie sich dafür entschieden haben, diese Ausgründung zu machen. Das ist gar nicht mal so ohne. Und das Reiner Lemoine Institut hat ja nicht so viele weitere Ausgründungen gemacht. Das heißt, da
mussten sie auch intern viel Zustimmung bekommen, und diese Spin-off-Debatten, ob es jetzt das Richtige wäre, auch für so eine Institution ein Startup zu gründen – dass die Argumente da auf jeden Fall zielführend sind, meiner Meinung nach, ist klar. Und außerdem fand ich spannend, wie auch schon viele CPOs Localizer nutzen und dass die fast schon die einzigen auf dem Markt sind, die so groß geworden sind, und wie viele Daten sie verwerten – von den Daten der Ladepunkte angefangen, aber so viel mehr – und was sie auch
noch alles vorhaben, insbesondere um den Betrieb von Ladepunktbetreibern zu optimieren, was bei denen das A und O ist, und insbesondere die Netzanschlüsse zu beschleunigen und die Netzbetreiber noch reinzubringen – eine coole Vision, die sie auch von Anfang an haben und jetzt konsequent durchführen. Und was nicht angesprochen worden ist, ist übrigens, dass sie auch viel mit Wasserstoff am Hut haben. Also wenn ihr mehr lernen wollt, dann meldet euch doch gerne bei denen. Und falls euch die Folge gefallen hat und ihr denkt, jemandem könnte sie auch gefallen, bitte
teilen, gerne kommentieren und bis bald.
Notities bij de aflevering
In dieser Folge von Smart Charge sprechen wir mit Prof. Dr. Kathrin Goldammer und Oliver Arnhold, den Co-CEOs von Localiser, einem Berliner Spin-off des Rainer-Lemoine-Instituts. Seit der Gründung 2018 hat sich Localiser zu einer führenden Plattform für datengestützte Standortplanung entwickelt - mit Analysen für mehr als 1,2 Millionen potenzielle Standorte und als erste DIN-konforme Planungssoftware für Ladeinfrastruktur in Deutschland anerkannt. Kathrin und Oliver schildern den Weg von der Forschung in die unternehmerische Praxis - inklusive der Hürden beim Spin-off aus einer gemeinnützigen Forschungseinrichtung und der Aufgabe, Stakeholder vom Mehrwert einer skalierbaren Software zu überzeugen. Wir beleuchten, wie Localiser Kommunen, CPOs, Versorgern und Investoren hilft, Bauchgefühl durch belastbare Daten bei der Planung von Ladeinfrastruktur zu ersetzen. Zentrale Themen: - Wie Localiser die Kosten im Vergleich zu klassischen Gutachten um den Faktor 10 senkte und Standortanalysen massiv beschleunigte - Warum Standardisierung und „bankable“ Methoden für Investoren und große CPOs entscheidend sind - Die Entwicklung der Datenquellen: von soziodemografischen Merkmalen und Verkehrsströmen bis hin zu tagesaktuellen Preisen und Auslastungsdaten - Potenziale in dynamischer Preisgestaltung, Depot-Sharing und der Integration von Netzbetreibern in den Planungsprozess - Learnings aus der frühen Nachfrage nach PDF-Berichten, Anpassungen im Onboarding und den Auslösern für Wachstum Außerdem sprechen wir über den EU Data Act, geografische Unterschiede bei der EV-Adoption und die kommende Welle der E-LKW-Infrastruktur. Kathrin und Oliver skizzieren ihre Vision, Netzbetreiber und offene Daten vollständig einzubinden - und Localiser damit von einem Planungstool zu einem Rückgrat der skalierten Energie- und Mobilitätswende weiterzuentwickeln.